Archief U-Vitalis Nieuwsbrieven

2020

2019


2018

 

2017

2016

2015

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

URDV 60 jaar (1956-2016)

 

Herinneringen aan 60 jaar R&D

Overzicht

 

urdv60 banner

 

URDV 60 jaar - Herinneringen aan 60 jaar R&D

 

Unilever R&D Vlaardingen vierde in 2016 haar 60e verjaardag. Er werden verschillende festiviteiten georganiseerd, waarvan de Open Dag op 4 juni 2016 voor ons het belangrijkste is.

Velen van ons hebben een substantieel van hun werkbare leven op het lab van Unilever R&D Vlaardingen doorgebracht. Waarschijnlijk niet alle 60 jaar, maar zo de rond de 40 jaar zeker wel.

Het leek ons leuk om uit die periode herinneringen op te halen en die wekelijks in een aparte rubriek op de website te zetten. We beginnen deze week met een terugblik op de officiële opening.

Wij realiseren ons dat niet alle bezoekers van U-Vitalis een URDV-achtergrond hebben en dat deze bezoekers misschien minder interesse hebben in die herinneringen. Maar wij vinden 60 jaar R&D toch belangrijk genoeg om die op de voorgrond te plaatsen. We hopen dat de niet-URDVers er toch met belangstelling naar kijken.

het U-Vitalis-team

 

1. Officiële opening

Op 16 november 1956 werd Unilever Research Laboratorium officieel geopend door de toenmalig Minister President Willem Drees. Anderhalf jaar nadat het gebouw al in gebruik was genomen. Maar een nieuwe vleugel moest eerst afgebouwd worden.

URDV 60 01


De eerste ‘verzameling’ van wetenschappers om onderzoek te doen aan Unileverproducten was Unilever’s Central Research bij de Verenigde Oliefabrieken Zwijndrecht (VOZ) in 1947. De margarine moest meer naar boter smaken en de eerste patenten over de rol van lactonen in die botersmaak werden begin jaren 50 verkregen.

In diezelfde tijd ging men nadenken over de bouw van een groter laboratorium en koos uiteindelijk vanwege de geschiktere locatie voor Vlaardingen.

De proeffabriek, het huidige personeelsrestaurant Casa Nova, was in 1954 klaar, het korte deel haaks erop in 1955 en een deel van de vleugel naar het noorden in 1956.

URDV 60 02
De ontwikkeling van het gebouwencomplex van URL Vlaardingen, zoals in de jaren zestig voorzien

De toenmalige voorzitter van de Raad van Bestuur F.J. Tempel was een van de sprekers, als ook gastheer en eerste directeur van URL Vlaardingen Hein Boekenoogen.

URDV 60 03

Jan Boldingh, na Hein Boekenoogen langdurig voorzitter van de directie van URL Vlaardingen, tijdens zijn lezing bij de officiële opening van URL Vlaardingen.


Boekenoogen benadrukte de technologische ontwikkeling in het wetenschappelijk onderzoek: “In vergelijking tot vroeger is het merkwaardig te zien hoe het aanzicht en de werkwijze van een chemisch laboratorium veranderen: zag men vroeger hoofdzakelijk glazen kolven, reageerbuizen en gasbranders, tegenwoordig merkt men een steeds groter aantal meer en meer ingewikkelde fysische instrumenten op, waarin elektrische en elektronische onderdelen een grote rol spelen”.

Willem Drees opende het lab met de woorden: “dat in dit laboratorium inderdaad gevonden zal worden wat van wezenlijk belang zal zijn voor Unilever, voor ons land en voor de gebruikers van de gehele wereld!”

Inmiddels werkten er al 260 mensen, terwijl dat er voor de verhuizing van Zwijndrecht naar Vlaardingen in 1955 nog maar 130 waren.

 

2. Het laboratorium

De laboratoriumzalen zagen er klassiek uit in het begin van het bestaan van URL Vlaardingen. Hier de labzaal van de sectie Organische Chemie op de derde verdieping van noordvleugel van gebouw B, vlak voor de verhuizing naar de zesde verdieping van gebouw A.

 

URDV 60 04

Wat is er zoal te zien:

rijen houten tafels vol gestouwd met statieven, kolven, bunsenbranders, bovenroerders en magneetroerders, rotatieverdamper (rotavap), vacuumpomp, waterstraalpomp, manometer, kookplaat, bekerglazen, maatcylinders, bakken voor dunne-laagchromatografie, destillatie-opstellingen met koelers en thermometers en exsiccatoren


Verder had je, zoals op de foto te zien is, zuurkasten, glaskasten, gasflessen, een vat voor gedestilleerd water en blauwe dewarvaten voor vloeibare stikstof die door de etagebediende werden gevuld, gehaald en gebracht. O ja, ook een emmertje met zand voor het geval dat…

Tegenwoordig staat er alleen een computer!

Aan beide zijden van de zaal waren de hokjes waar de sectieleider plannen bedacht om zijn analisten bezig te houden. En daar werden ook de besprekingen gehouden, zoals hieronder in de ‘study’ van Daan van der Steen.

 

URDV 60 05

Links van boven naar beneden:

Daan van der Steen, Albert Fröhling, George Huijben, Willy Schwaiger. Rechts van boven naar beneden: juffrouw Schreurer, Giampi Cardinale, Rudi de Jongh, Jan Grimmelikhuijzen, en Wim Voet. De man op de rug laat zich (nog) niet herkennen. (1965 – 1966)

 

Het valt op er geen koffiebekertjes op de tafel staan, zoals nu ongetwijfeld het geval zou zijn. Maar ook geen koffiekopjes en schoteltjes, want in de beginjaren werd de koffie netjes geserveerd door een koffiejuffrouw, inclusief een kannetje voor een tweede ‘bakkie’.

URDV 60 06
Het Analytisch Laboratorium in 1966 met Aty Verheij


Op vrijdagmiddag werden de labruimtes opgeruimd en schoongemaakt. De labtafels werden ingesmeerd met parafine-olie opgelost in tetra. Als de tetra dan verdampt was, bleef de parafine over als een mooi glimmende laag op de tafel. Iets dat nu uit den boze is en zelfs verboden.

 

URDV 60 07
De labzaal van Organische Chemie op de zesde verdieping van Gebouw A rond de opening van dat gebouw in 1970. Job van der Meer is de chemisch analist.



3. Onze magazines

 

URL Nieuws

Op 11 november 1982 werd voor het eerst een personeelsblad van URL Vlaardingen uitgegeven. Achtergrondinformatie over het reilen en zeilen van het laboratorium: over het werk van de Science Policy Group, over het bezoek van Italiaanse parlementsleden, over de uitreiking van de Unilever Chemieprijzen en over verschenen wetenschappelijke publicaties.

Piet Baalman vormde samen met Janet van Huisstede de redactie. Wim Kalmijn, Bart Tritten en A.L. van Wingerden vormden de adviescommissie. De opmaak werd verzorgd door Koos Smit en Mari van der Giessen met simpel knip- en plakwerk. Cees Doudeijns zorgde samen met Huug Steenhoek voor het drukken. Gewoon in huis allemaal.

Tot januari 1994 zouden er 78 nummers verschijnen. De frequentie veranderde van zo nu en dan naar maandelijks, de vormgeving werd gelikter, vooral door de komst van de grafische computer en er kwamen meer foto’s in die gemaakt werden door Gert van den Berg, Cees van Mourik en Maurice Brandts. Het drukwerk werd op een gegeven moment uitbesteed.

URL Nieuws werd in toenemende mate gebruikt om belangrijke besluiten van de directie toe te lichten. Speciale edities verschenen er, over voorgenomen én over definitieve besluiten. Natuurlijk betroffen die besluiten omvangrijke reorganisaties, waaronder die van de ondersteunende groepen in 1989.

 

URL Vandaag/URV Vandaag

URL Nieuws werd ook gebruikt voor de Sociale Jaarverslagen en ter ondersteuning van verbeterprojecten, zoals Total Quality. Zo werd Nota Bene toegevoegd met ‘verbeter’-verhalen. Dat was reden om de opzet te veranderen tot URL Vandaag. De redactie bestond inmiddels uit John Deij en Job van der Meer en zij kregen hulp van het communicatiebureau Chapeau. 

De opzet van de communicatie veranderde ook: er kwam gelegenheid om vanuit de lezer iets te laten horen. Echte communicatie dus. We kregen een column, ‘Dodo legt een eitje’, lezers mochten laten horen wat ze van een ontwikkeling vonden in de rubriek ‘Wat vindt u nou…?’ en er kwam zelfs een rubriek ‘Boos’. Veranderingen in cultuur werden dus ook zichtbaar in de communicatie.

 

R&D Magazine/Vlaardigheden

Na nummer 41 van april 1998 veranderde URL Vandaag stiekem naar URV Vandaag, een eerste afscheid van het woord ’laboratorium’. Development ging een steeds belangrijker rol spelen en dat moest in de naam van ons personeelsblad tot uitdrukking komen. Zo ontstond na 75 nummers in november 2001 het R&D Magazine. Vanwege de huisvesting van niet R&D-groepen als People Link en Finance, veranderde de naam na 18 nummers in november 2003 in Vlaardigheden. 

 

hetLab/the Lab

Maar uiteindelijk keert de naam Laboratorium toch weer terug in de naam van ons personeelsblad. Na 12 nummers Vlaardigheden komt in maart 2005 het eerste nummer van hetLab. Er zouden tot november 2007 24 nummers uitgegeven worden. Daarna nam Engels de Nederlandse taal over en verscheen vanaf februari 2008 The Lab en die bleef met ongeveer 17 nummers tot eind 2010 bestaan. Daarna moesten digitale publicaties het overnemen. Geen papieren personeelsbladen meer, ook niet landelijk overigens. Tenminste wat Unilever betreft.

 

Tot slot

Alle nummers van de personeelsbladen zijn digitaal in te zien via U-Vitalis. Klik hiervoor op een van de hier bovenstaande overzicht-links en u krijgt toegang tot de volledige reeks gepubliceerde nummers.

Deze digitalisering is het werk van de enthousiaste oud-medewerkers Jan Kraal en Emile Verdegaal.

 

4. De ondernemingsraad

 

URDV 60 08

 

In het begin van Unilever Research Laboratorium Vlaardingen bestond er geen officiële ondernemingsraad. Het lab was voor veel zaken afhankelijk van het Hoofdkantoor. Maar er was wel een laboratoriumraad.

 

URDV 60 09

De raad bood de mogelijkheid “tot een gesprek tussen directie en personeel. De directie kan mededelingen doen over de gang van zaken in het lab en de door haar voorgenomen maatregelen. Aangelegenheden van algemene aard kunnen door de personeelsleden via de raad ter sprake worden gebracht.”

Op de 24ste laboratoriumraadvergadering van september 1959 werd besloten “om als gevolg van het feit dat het laboratorium steeds meer in omvang toeneemt en in lokaal opzicht los staat van het Hoofdkantoor, de laboratoriumraad om te zetten in een ondernemingsraad in de zin der wet.”

 

URDV 60 10
De raad in 1988 - staand van links naar rechts: Sjaak van ’t Wout, Joep Holterhues, Wilma Stam, Han Heidema, Sinus Koerts, Cor van de Weteringh (voorzitter), Rob den Outer, Emile den Deckere, Frans Hulsker, Ad de Vos (secretaris) - zittend van links naar rechts: Paul Verbiest, Lidya van Brandwijk, Frans Laurijsen, Gerty de Jong (ambtelijk secretaris), David Bancroft, Bert Hoogendam

 

De ondernemingsraad heeft in de loop der jaren een belangrijke rol gespeeld binnen het laboratorium in zaken die het personeel direct aangingen. Vele reorganisaties zijn door kritisch beoordelen door de ondernemingsraad aangepast en daardoor eerder geaccepteerd door het personeel. En als er nadelige gevolgen waren voor het personeel werden die op initiatief van de ondernemingsraad onder andere door sociale plannen zo goed mogelijk opgelost.

 

URDV 60 11
URDV 60 11b
De raad in 1994

 

De ondernemingsraad gaf niet alleen advies, maar nam ook initiatieven, zoals bij kinderopvang, PC-privé, 55+-regeling en plannen voor een nieuwe manier van werken.

Een vervelende ervaring was de rechtszaak die de ondernemingsraad in 1981 tegen de toenmalige bestuurder Wiero Beek aanspande over een onrechtmatige aanpassing van het beoordelingssysteem van managers en assistent managers. De OR won, maar de onderlinge verhouding was voor jaren verstoord.

Voorbeelden van successen? Een roosterwijziging in de bewakingsdienst, uitbesteding van de cateringactiviteiten en flexibele werktijden.

 

URDV 60 12
De raad in 1997 - zittend van links naar rechts: Wim Bel, Nanneke de Fouw, Corné Andreae, Jan Lankester, Sjaak van ’t Wout, Sinus Koerts - staand van links naar rechts: Manske Tammes, Martin Koster, Jan Bouwman, Marjon Voogd, Piet Quartel, Michel Leunis, Erwin Vroom, Annemiek de Langen. Marijke Wiggers ontbreekt.

 

Hans Nieuwenhuis, directeur van 1987 tot 1997, vond de ondernemingsraad “een lastig clubje”, maar verklaarde tegelijkertijd dat directie en ondernemingsraad hetzelfde doel nastreven, namelijk een betere toekomst van het laboratorium. Het is overduidelijk dat de inzet van de leden van de ondernemingsraad in de 60 jaar R&D op prijs werd gesteld, niet alleen door de labbevolking, maar ook door de directie.

 

URDV 60 13

De raad in 2006 - staand van links naar rechts:

André van der Salm, Ger Harcksen, René de Rooij, Rop van Polanen, Ria Smit (ambtelijk secretaris), Sjaak van ‘t Wout - hurkend van links naar rechts: Aafje Sierksma, Wim Voorbach, Lammert Nauta (voorzitter), Stefan Coolen, Piet Quartel (secretaris)

 

URDV 60 14 URDV 60 15

 



5. Hoog bezoek

 

Unilever R&D Vlaardingen heeft in de 60 jaar van zijn bestaan regelmatig hoog bezoek gehad. Bij de opening van minister-president Willem Drees, bij het 40-jarig bestaan van minister-president Wim Kok, bij de opening van gebouw A in 1970 van prins Claus, die later in september 1989 nog een keer een werkbezoek aflegde, bij het 50-jarig bestaan van kroonprins Willem-Alexander en in maart 1996 van Dr. E. Stoiber, minister-president van de Duitse deelstaat Beieren.

 

URDV 60 16

 

President Salinas van Mexico

Officiële bezoeken waren dat en daar werd in het laboratorium veel voor uit de kast gehaald. Zoals bij het bezoek van president Salinas van Mexico die op 28 september 1993 een bliksembezoek bracht aan URDV. Het bezoek was een onderdeel van een door het Ministerie van Economische Zaken georganiseerde tocht langs diverse Nederlandse bedrijven.

Veiligheid gaat boven alles en dus was er een voor Vlaardingen ongekend grote politiemacht op de been om de limousines die klaarstonden voor de Mexicaanse gast en zijn uit ongeveer zestig man bestaand gevolg te begeleiden van de aanlegsteiger aan de Maasboulevard – men arriveerde per schip – naar het tweehonderd meter verderop gelegen laboratorium.

 

URDV 60 17
Ontvangst van de president van Mexico Salinas door Floris Maljers en Hans Nieuwenhuis

 

De president werd verwelkomd door bestuursvoorzitter Floris Maljers en URL-directeur Hans Nieuwenhuis. In de aula kreeg dat welkom een officiëler vervolg, terwijl in de foyer naast diverse stands met Mexicaanse Unilever-producten een heuse (mini-)votator stond opgesteld om de bereiding van margarine aanschouwelijk te maken. Theo van Selm en Bert Berkhout van de Foods Application Unit stonden klaar om een en ander toe te lichten.

 

URDV 60 18
Theo van Selm en Bert Berkhout leggen president Salinas uit hoe margarine bereid wordt.

 

Na circa drie kwartier vertrok het hele gezelschap per limousine naar Rotterdam waar hen weer een ander evenement wachtte.

 

Werkbezoek kroonprins Willem-Allexander

URDV 60 19
(Oud-)bestuurvoorzitters Antony Burgmans en Floris Maljers en URDV-directeur Ed Veltkmap begeleiden kroonprins Willem-Alexander naar de liften.

 

Een ander persoon onder de noemer Hoog Bezoek was kroonprins Willem-Alexander die op 24 april 1997 een werkbezoek bracht aan het lab. Ed Veltkamp was inmiddels Hans Nieuwenhuis opgevolgd als directeur van URDV en Antony Burgmans Floris Maljers als bestuursvoorzitter van Unilever. Floris Maljers begeleidde nu prins Willem-Alexander in zijn kennismakingsronde bij Nederlandse bedrijven.

Het bezoek speelde zich in zijn geheel af op de negende verdieping waar de grote vergaderzaal leeggehaald was en vervolgens opnieuw ingericht voor een samenzijn tussen de prins en een groep jonge wetenschappers. Bij de presentaties lag de nadruk op de ijsactiviteiten van Unilever.

 

URDV 60 20
Raymond Cloosterman en kroonprins Willem-Alexander proeven een ijsje. Raymond Cloosterman richtte later het bedrijf Rituals op.

 

6. Het ´Boldingh´

 

Sinds jaar en dag siert een metaalplastiek de hoofdingang van Unilever R&D Vlaardingen. URDV-ers noemen het kunstwerk ook wel het ‘Boldingh’ naar Jan Boldingh, een van de eerste directeuren van het lab.

Het kunstwerk is een geschenk van de gemeente Vlaardingen bij gelegenheid van de officiële opening van het lab in 1956. Voor 6100 gulden vervaardigde de Vlaardingse kunstsmid Johan Poulisse het plastiek naar een ontwerp van de toenmalige gemeente-architect K.V. van Waalwijk.

 

URDV 60 21

 

Het geheel bestaat uit een metalen aardglobe met een middellijn van 1,30 meter en is omgeven door een drie meter hoge letter ‘U’. De totale hoogte bedraagt vier meter. Het werk is gemaakt van 4 mm dik plaatijzer en heeft een gewicht van ongeveer 300 kg. Als bescherming tegen de wind is later een extra steun aangebracht onder de bol. De bol kreeg bij de bouw van Gebouw A een andere plaats en de van oorsprong blauwe kleur werd toen vervangen door rood.

De U van Unilever en de globe symboliseren de verbreiding van het bedrijf over de wereld.

 

URDV 60 22

 

Het ‘Boldingh’ werd pas vijf jaar na de officiële opening in maart 1961 door burgemeester Heusdens van de gemeente Vlaardingen overhandigd aan de directeuren Boekenoogen en Boldingh.

Het verhaal gaat dat de ronding van de U in de nacht een favoriete plek voor vossen was of is om zich te nestelen in de warmte van de lamp………………..

 

URDV 60 23
 Uit de Nieuwe Vlaardingse Courant van 13 maart 1961….

 

Fraai werk van kunstsmid overgedragen aan Unilever

Tijdens een eenvoudige besloten bijeenkomst heeft burgemeester mr. J. Heusdens vrijdagmorgen aan de directie van het Unilever Research Laboratorium een metaalplastiek aangeboden ter verfraaiing van het uiterlijk van het complex. Reeds bij de opening van het laboratorium op 16 november 1956 door de toenmalige minister-president dr. W. Drees had de burgemeester namens de gemeente Vlaardingen dit geschenk in het vooruitzicht gesteld. In april van het vorig jaar stelde de gemeenteraad een krediet van 6100 gulden beschikbaar voor de bekostiging van de plastiek. Door velerlei omstandigheden kon eerst nu de overdracht plaatsvinden.

 

Bij de overdracht van het geschenk waren vertegenwoordigd het college van burgemeester en wethouders, de directie van de Unilever Rotterdam (dr.ir. J.P. van der Steur) en van het Unilever Research Laboratorium (dr. H.A. Boekenoogen en dr. J. Boldingh). Mr. Heusdens bood bij deze gelegenheid tevens een kleine inscriptie aan die op de plastiek dient te worden aangebracht.

 

Namens het Unilever-concern zegde dr. Boekenoogen dank voor ’t waardevolle geschenk. Hij verzocht de burgemeester deze dank ook over te brengen aan de gemeenteraad. Tenslotte werd nog een rondgang gemaakt door het oude en nieuwe gedeelte van het laboratorium.

 

7. Communicatie

 

URDV 60 24

 

Als je Hans Linsen zo ziet krabbelen op een servetje in het personeelsrestaurant op de derde verdieping van Gebouw B in de jaren zestig, realiseer je je dat communicatie in 60 jaar R&D wel veranderd is. Natuurlijk krabbelen we nu ook nog wel en misschien ook nog wel op een servetje, maar we hebben nu wel veel andere middelen. Zou Hans zijn smart phone of tablet gebruikt hebben..? Hans was op de foto overigens sectie- of groepsleider in de groep Katalyse. Later werd hij directeur Algemene Zaken.

 

URDV 60 25

 

’t Gele Blaadje

Jarenlang fungeerde het URLBUL, het U.R.L. Bulletin, en later ’t Gele Blaadje als het medium voor mededelingen aan het personeel. Mededelingen van de directie, benoemingen van belangrijke functies, aankondigingen van bijeenkomsten of lezingen en natuurlijk het menu van de komende week. In 1957 verscheen het eerste nummer van het URLBUL onder redactie van Ir. W.F. van Gils en W.J. Woestenburg en eind jaren negentig het laatste nummer van ’t Gele Blaadje. Ingehaald door nieuwe technologieën. Alleen de gepensioneerde oud-medewerkers vonden dat erg, want zij wisten toen niet meer wat ze hadden kunnen eten…… Zij kregen elke week een exemplaar van het ’t Gele Blaadje thuis toegestuurd.

 

URDV 60 26
 Het team dat in 1998 WebForum ontwikkelde, de interne website voor Unilever R&D Vlaardingen en later ook daarbuiten. Het team bestond uit, van links naar rechts, John Deij, Fred van Os, Cees van Mourik en Yvonne van der Linden. Hans de Bruin staat niet op de foto.

 

WebForum

‘Killing me softly' heette de notitie die Interne en Externe Communicatie (l&EC) in 1997 wijdde aan elektronische infostress. "Er kwamen bij ons regelmatig klachten binnen van URL'ers die door de bomen het bos niet meer zagen". Er bestonden acht verschillende elektronische media, elk met een eigen ingang maar met overlappende informatie. De wildgroei ontstond omdat het een relatief nieuwe technologie betrof en toen is iedereen gewoon iets voor zichzelf begonnen. De noodkreet van l&EC resulteerde in een bespreking op divisie-niveau met managers die informatievoorziening in hun portefeuille hadden. Zij besloten dat er één officieel intranet voor Research & Engineering Division moest komen. Vlaardingen nam het voortouw en zij ontwikkelden WebForum, dat later ook door andere labs van Unilever werd overgenomen. ’t Gele Blaadje hield op te bestaan.

 

URDV 60 27

 

WebForum werd een succes en is sindsdien ook niet meer weg te denken in de communicatie van URDV. Beginjaren 2000 werd het ingehaald door een intranet-portal van Unilever met informatie over Unilever wereldwijd, landelijk en op locatie. Personeelszaken, inkoop, Producten en Diensten Catalogus (PDC), evenementen, wetenschappelijke publicaties, subsidieaanvragen, ARBO en bewaking, telefoongids …alles is erop terug te vinden. Na zestig jaar zou het servetje van Hans er misschien anders uitzien. Of misschien toch niet…. Facebook of Whatsapp spelen in ieder geval nog geen structurele rol in de communicatie op het lab; Skype overigens wel en dan met medewerkers in de business.

 

URDV 60 28
De intranetportal van Unilever R&D Vlaardingen in 2016

 

8. Het Personeelsrestaurant

 

URDV 60 29

De lunchkamer op de derde verdieping B-zuid in de jaren zestig


Lunchkamer

Het begon in 1956 in de proeffabriek met een kleine ruimte ingeruimd als kantine. Later verhuisde die kantine naar de derde verdieping van B-noord en weer een paar jaar later naar de derde verdieping B-zuid. Op die locatie was sprake van een volwaardig restaurant. Met dakterras.

Maar men sprak van de lunchkamer, waar “tijdens de middagpauze gelegenheid bestaat de lunch te gebruiken. U kunt daar de meegebrachte boterhammen nuttigen met een kop koffie, soep of glas melk, of tegen een geringe prijs belegde boterhammen bestellen….”.

Je kon niet betalen met geld. In het begin moest je kartonnen kaartjes uit een automaat halen en daarmee betalen, iets van 10 en 25 cent. Later werd het allemaal elektronisch.

Maar de lunchkamer had ook een andere belangrijke functie: het loon werd er uitbetaald! Dick Maat kwam met een koffer met voor elk een zakje geld en een heeeeel lang loonstrookje. Je moest dat dan controleren en natellen.

 

URDV 60 30
‘naar ‘t paviljoen gaan’

 

´t Paviljoen

In het begin van de jaren ’70 groeide URL explosief, waardoor een vierde verhuizing van het personeelsrestaurant noodzakelijk werd. Er werd op het terrein van Lever een volledig nieuw restaurant opgetrokken, pal naast het bestaande Lever Paviljoen. Gemakshalve werd de naam ’t Paviljoen door iedereen spontaan overgenomen. ‘Naar ’t Paviljoen gaan’ werd het meest gebruikte synoniem voor lunchen.

Het assortiment werd behoorlijk uitgebreid. Warme maaltijden werden normaal, een biertje of een wijntje erbij werden normaal en ongetwijfeld was roken in het begin ook normaal. Maar toch kwam er een einde aan ’t Paviljoen en dat werd ingeluid door aangescherpte eisen van zowel de ARBO-wet als de Keuringsdienst van Waren. Het gebouw voldeed niet meer.

 

URDV 60 31

 

Casa Nova

Men liet het oog vallen op het nagenoeg lege gebouw C, dat ondanks voortdurende dreiging nog steeds niet onder de sloophamer was gekomen. Er waren echter heel wat (hand)tekekingen nodig voordat de eerste paal kon worden ‘geboord’, inderdaad niet geslagen. Nieuwbouw (keukengedeelte) en rechtstreekse verbindingen naar de Foyer en de entreehal vroegen veel aandacht. Maar half december 1995 was het zover en een goed half jaar later was zo goed als alles gereed.

Bij het afscheid van Hans Nieuwenhuis, de directeur onder wiens verantwoordelijkheid het restaurant gebouwd werd, in 1997 kreeg het nieuwe personeelsrestaurant zijn naam: Casa Nova.

 

URDV 60 32
Nieuwjaarsrede door Jan de Rooij en Ed Veltkamp in 1999

 

Nieuwjaarsredes

Casa Nova werd en wordt voor allerlei activiteiten en evenementen zoals anders eten gebruikt. Meest opvallend daarin waren de nieuwjaarsredes die vanaf die tijd daar werden gehouden in plaats van in de aula en simultaan in ’t Paviljoen. Zoals die in 1999 toen aandacht besteed werd aan Scoring More Goals, een programma om researchactiviteiten extra te stimuleren.

 

9. De bibliotheek

 

URDV 60 33

De bibliotheek op de derde verdieping van Gebouw B in de jaren zestig

 

B3

De geschiedenis van de bibliotheek van URL/URDV begint op de derde verdieping van Gebouw B. Boeken vormden het hoofdbestanddeel, studieboeken maar vooral gebonden verzamelingen van tijdschriften. Menig wetenschappelijk onderzoek, zo niet alle, begon met een literatuuronderzoek.

Had je daar moeite mee dan kon je ook terecht bij literatuuronderzoekers voor informatie of het laten uitvoeren van een literatuurrecherche. Literatuur op veel wetenschapsgebieden, inclusief octrooien, en markt- en actuele informatie. De literatuuronderzoekers konden je overigens ook helpen met het opbergen of verwerken van gegevens in persoonlijke documentatiesystemen.

 

URDV 60 34

De bibliotheek op de vierde verdieping van gebouw A in 1985


A4

Bij de ingebruikneming van Gebouw A in 1968 kreeg de bibliotheek direct een plaats toebedeeld op de vierde verdieping. Maar de indeling en oppervlakte bleek na vijftien jaar niet meer te voldoen, mede door de komst van boeken, tijdschriften en andere documenten uit ons zusterlaboratorium in Duiven dat in de jaren tachtig in het Vlaardingen-lab werd geïntegreerd.

In 1985 vond er een grote verbouwing plaats met als resultaat een totale oppervlakte van 660 m², waarvan 180 m² gebruikt werd door de bibliothecaris, administratie en balie, en 480 m² beschikbaar was voor de collecties. De boekencollectie omvatte op dat moment 16.000 banden en de rapportenleeskamer meer dan 50.000 interne documenten. Het aantal abonnementen op tijdschriften was toen 800.

 

URDV 60 35

De introductie van de Personal News Service van de unit Information and Data Science met van links naar rechts: Bernard Vandeginste, Arie van Rijs, Pepijn Nierop en Ger Bijster


Site-seeing in de elektronische bibliotheek

In januari 1999 verscheen er een artikel in URV Vandaag onder de titel Site-seeing in de elektronische bibliotheek. Tijden veranderen, analoog wordt digitaal, papier wordt plus en min. De unit Information and Data Science introduceerde de Personal News Service (PNS) als onderdeel van WebForum. PNS was een instrument waarmee iedere wetenschapper in staat was om via intranet publicaties te verzamelen die van belang waren voor een specifiek project. Tegelijk kon de wetenschapper met behulp van PNS zijn persoonlijke expertise bijhouden.

 

URDV 60 36

De bibliotheek op de begane grond van Gebouw B beginjaren 2000


B3, A4, B0, foetsie

De digitale revolutie betekende het einde van de fysieke bibliotheek. A4 (Gebouw A, vierde verdieping) werd in de jaren 2000 B0 (Gebouw B, begane grond), maar al snel verdween alles en bleven er slechts wat rekken met tijdschriften over bij verschillende onderzoeksgroepen. Personeelsbladen, mededelingenblaadjes, boeken en tijdschriften, na 60 R&D: foetsie!

 

URDV 60 37

Wel bleef de ontspanningsbibliotheek bestaan.

Tenminste tot de pensionering van de beheerder Jan Laan

 

 

10. De bouw van Gebouw A

 

URDV 60 38

 

Behoefte aan ruimte

Het wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van Unilever-producten nam in de jaren zestig toe. Eetbare oliën en vetten en was- en reinigingsmiddelen hadden ieder een eigen researchgroep gekregen, maar daarna werden ook achtergrondgroepen opgericht zoals de organisch-chemische groep, fysische chemie, katalyse, biologische research. Bovendien waren er proeffabrieken. Het lab groeide uit zijn jasje.

Eind 1963 werden de eerste peilingen naar de behoefte aan ruimte verricht. Men ging in eerste instantie uit van 1100 medewerkers met een groei tot 1500, maar dat was dan ook het echte maximum. En men kwam tot de volgende opzet: maximaal mogelijke bezetting 1500 medewerkers, waarvan 620 administratieve medewerkers en 880 researchwerkers.

Uitgaande van 20 m² per researchwerker, inclusief ruimten voor studie en vergaderingen, kwam men voor researchwerkers totaal op 17.600 m² en voor administratieve medewerkers 3.000 m².

De bestaande laboratoria bevatten 7.100 m²; er was dus een tekort van 13.500 m². Er werd toen besloten een nieuw laboratorium te bouwen met een extra hoeveelheid ruimte voor de toekomst. Dit werd het nieuwe laboratorium met negen verdiepingen, Laboratorium IV, later gebouw A genoemd.

De 7de en 8ste verdieping en een gedeelte van de dakopbouw zouden voorlopig gereserveerd blijven, omdat men uitging van 1100 medewerkers.

 

URDV 60 39

 

De eerste paal

In mei 1964 werd de bouwcommissie opgericht, bestaande uit de heren dr. A.L. de Jong, ir. R. Keuning, dr. K.G. van Senden, ir. A.W. Slob en mr. L.A. Verwey. Er werd zoveel mogelijk geluisterd naar de wensen van de medewerkers voor de opzet en de inrichting. In oktober 1964 werd een enquête gehouden. Medio 1965 was de planning gereed en op 13 juni 1966 werd de eerste van in totaal 1005 palen geslagen.

Ir. H.M. Braam werd de projectleider voor Unilever en de Bataafse Aannemingsmij. de bouwer. Het bureau Drexhage zorgde voor de architectuur.

Wel luxe was de aanleg van een volledige airconditioning-installatie, via de gevels en via de gangen.

 

URDV 60 40

 

De opening

Op 1 april 1969 zou het Laboratorium IV officieel geopend worden door Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard. Maar prins Bernhard moest op die dag aanwezig zijn bij de rouwdienst bij het overlijden van president Eisenhower en zijn schoonzoon, prins Claus, verving hem. Hij kwam op spectaculaire wijze aan met een helikopter en werd onder andere ontvangen door de minister van Economische Zaken mr. L. de Block.

 

URDV 60 41

 

De openingsdaad zelf was niet erg traditioneel, geen hendel, geen lint, maar gieten van een oppervlakte-actieve stof uit een zilveren amfora op water waardoor kunstmatige golfjes werden gedempt.

 

URDV 60 42

 

Jan Keuzenkamp

Onze – helaas overleden - oud-collega Jan Keuzenkamp heeft de bouw van Gebouw A over de jaren vastgelegd op smalfilm. Vlak voor zijn overlijden stelde Jan de film ter beschikking aan het U-Vitalisteam. En wij hebben de film van dertig minuten gedigitaliseerd. 

 

 

Het historische document werd voor het eerst getoond tijdens het Open Home van Unilever R&D Vlaardingen op zaterdag 4 juni 2016.

 

URDV 60 43

 

 

11. AutoClub Research (ACR) 

De prehistorie van Autoclub Research - the roaring sixtie

 

URDV 60 44
 Terugblikken via de achteruitkijkspiegel

 

Er was eens ……….

...een groepje mensen die op 16 november 1965 tijdens de lunchpauze besloten om, als onderdeel van de personeelsvereniging van het Unilever Research Laboratorium (URL), de Autoclub Research (ACR) op te richten.

In die tijd was de bromfiets en niet de auto het standaard vervoermiddel. De overstap van brommer naar auto was een drastische aderlating, ook al ging het veelal om de aanschaf van een ‘leuk’ gebruikt modelletje. Echter, er moest, om de onderhoudskosten binnen de perken te houden, wel heel veel zelf aan de auto gesleuteld worden. Gelukkig kon je in die tijd, zonder tussenkomst van de computer, nog alles onder de motorkap terug vinden.

De zogenaamde 10.000 km-beurt van olie verversen, bougies vervangen en het afstellen van de nieuwe ontstekingspuntjes, lukte nog wel thuis voor de deur. Maar voor het vervangen van een schokdemper of de startmotor was dit toch wel een stuk ingewikkelder. Het werd pas echt lastig als er voor de winter een tectyleerbeurt gegeven moest worden. Hard nodig, want toen roestten de auto’s nog letterlijk onder je handen vandaan.

Met andere woorden het drukken van de kosten van het autorijden was de belangrijkste reden om de handen ineen te slaan. Onder meer door het bedingen van kortingen bij plaatselijke autodealers en verkopers van autoaccessoires. Maar het hoofddoel was het vinden van een ruimte waar men zelf kleine reparaties en algemeen onderhoud aan de auto zou kunnen uitvoeren.

Rondom het laboratorium was er helaas geen plaats zodat er buiten wat gehuurd moest worden. Het heeft zeker een jaar geduurd voordat we iets betaalbaars In het oude Vlaardingse West-Nieuwland hadden gevonden. Daar hing echter wel een ander prijskaartje aan. Namelijk, onze half overdekte box was een deel van een voormalige kolenopslagplaats voor antraciet nootjes 4 en 5. Na een avondje aan je auto sleutelen leek het wel of je een kolenboot gelost had. Maar…het was wel kicken.

 

URDV 60 45

 

De huur van 1000 gulden per jaar werd ons door de personeelsvereniging van URL als subsidie verstrekt. Maar door deze huur viel er wel goed te onderhandelen, namelijk, de eigenaar van de box was net een ‘witte’ pomp begonnen, en kon wel wat extra ACR-klanten gebruiken. Dit leverde voor onze leden een leuke extra korting van 3 cent per liter op.

Helaas hebben we maar een jaar in onze riante kolenopslagplaats kunnen sleutelen. Deze bevond zich namelijk in het midden van de stadskern en moest afgebroken worden om plaats te gaan maken voor woningbouw en een parkeerterrein bij de voormalige V&D-vestiging aan het Liesveld.

Als tijdelijk alternatief vonden we een soort van stenen oprit/brug langs de in aanleg zijnde tweede baan van rijksweg 20 waar (zand)vrachtauto’s gerepareerd werden. Onze sleutelaars konden daar op hun vrije zaterdag gebruik van maken.

Dat was best behelpen, maar met een goed gevulde gereedschapskist, regenjas en oorwarmers lukte olie verversen en kleine reparaties nog wel.

In het voorjaar van 1969 kwamen we in gesprek met de toenmalige 'huisaannemer' van de Lever’s Zeep Maatschappij (LZM). Hij was bereidt om de helft van zijn oude werkplaats (romneyloods) in de industriewijk de Vergulde Hand aan ons te verhuren.

Echter, de huurprijs van 5000 gulden per jaar lag, door het beperkt aantal leden, ver boven onze begroting. Zo’n huur zou alleen betaalbaar worden als we onze gesloten status van onderafdeling van de personeelsvereniging van URL zouden veranderen in een autoclub waar alle werknemers van Unilever lid van konden worden.

 

URDV 60 46

 

Daarvoor werden er voorlichtingsavonden en ledenwerfacties bij LZM en EDD/ICA georganiseerd. Met het uiteindelijke resultaat van een paar honderd nieuwe leden. Hierdoor lukte het om de huur van de nieuwe garage via de PV's van URL, LZM en EDD/ICA te financieren. De tijdgeest was er toen nog naar - door en voor elkaar. Maar mensen, wat moest er nog veel aan gebeuren: Er was geen water, (vrijwel) geen licht, geen toilet, geen verwarming en ga zo maar door.

De romneyloods moest een volledige metamorfose ondergaan voordat het op een echte garage ging lijken. Met alles erop en eraan, van brug tot speciaal gereedschap. Daarvoor is een grote doe-het-zelf actie op touw gezet. Met ruim 50 vrijwilligers zijn we zo’n acht maanden bezig geweest om van die ouwe opslagplaats een 'professionele' hobby ruimte te maken. Er is toen door al die leden een uniek stukje (samen)werken geleverd.

Onder meer door met een oude oliekachel een centrale verwarming aan te leggen. De ruimte te voorzien van lichtbakken en stopkontakten. Inrichten van gereedschapskastjes, plaatsen van de brug. Het toilet in 't Praathuis voorzien van water en de afvoer aansluiten op het gemeenteriool enz. enz.

 

URDV 60 47

 

Intussen waren wij tot de conclusie gekomen dat het haalbaar moest zijn om zelf een benzinepomp te gaan exploiteren. Dit haalbare bestond niet alleen uit het verkrijgen van toestemmingen en vergunningen, maar het ging ons er vooral om of de exploitatie ‘winstgevend’ zou kunnen zijn. Winstgevend tussen aanhalingstekens, namelijk, het prijsvoordeel per liter benzine moest vooral aantrekkelijk zijn voor onze leden. Maar we wilden er zelf ook wel graag iets aan overhouden om hier te zijner tijd ons ideaal van een eigen garage mee te kunnen financieren. Maar het belangrijkste struikelblok was de organisatie van de bediening en de betaling aan de pomp.

We hadden toen het geluk van de goeie keeper. Op dat moment werd op een beurs in Amsterdam een voor Nederland uniek zelfbedieningssysteem geïntroduceerd met ponsband-registratie. Hierdoor werd het mogelijk om het geld via de giro of het salaris te innen. Een onbemande 24/7-service, zonder gehannes met geld.

Dit systeem werd door Lips Brandkasten uit Dordrecht geïmporteerd. Wel een pittige investering, maar omdat dit het eerste Tank-O-Mat-systeem in Nederland zou worden viel er goed te onderhandelen. Maar daarnaast moesten er ook nog een aantal andere zaken geregeld worden.

Zoals, bij welke oliemaatschappij kunnen we de hoogste korting op een liter benzine bedingen. Uiteindelijk kwam uit acht onderhandelingstrajecten het huidige Total Fina Elf met het beste bod; 10 cent korting per liter op de pompprijs. Shell had in deze competitie niet meegedraaid. Namelijk, Shell was hofleverancier van het Unilever-wagenpark in Rotterdam en de korting die Unilever kreeg was voor ons verre van interessant.

Wat schetste onze verbazing toen Shell ons belde met de mededeling dat ze minimaal hetzelfde beste bod met ‘plus’ wilden aanbieden. Uiteindelijk werd dit ‘plus’ verzilverd met de installatie van een doorsmeerbrug en olieververs-apparatuur in de romneyloods aan de Edisonstraat. De zelf uitgevoerde 10.000 km-beurten floreerden, maar het tanken moest nog wel gerealiseerd worden.

Hiervoor hadden we Unilever nodig. Ten eerste om de kosten van de door de leden getankte benzine via het salaris te kunnen verrekenen. Dit was een heel lastig verhaal, maar ook deze horde werd genomen.

Ten tweede, de toestemming om op het URL-terrein een benzinepomp te plaatsen, en wel op de plek die wij hiervoor in gedachten hadden. Het zal wel doorzien zijn, maar wij hadden een slim plan bedacht door de benzinepomp te plannen vlak bij de plaats waar deze zich nu bevindt. Daarmee zou het achterliggende terrein, als een fait accompli, niet geschikt meer zijn voor mogelijke toekomstige uitbreidingsplannen van URL; maar wel voor de realisatie van ons ‘ideaal’.

Wij hebben in dit soort besluitvormingsprocessen onvoorstelbaar veel te danken aan het bemiddelingswerk van de toenmalige adjunct-directeur van URL, Drs. A van Linge. Hij stelde dan ook, op 27 februari 1970, het Tank-O-Mat-systeem in werking.

 

URDV 60 48

 

Dat vooruitdenken geen overbodige luxe is, bleek toen we, na een paar verlengingen van de tijdelijke vergunning, eind 1972 te horen kregen dat het huren van de romneyloods aan de Edisonstraat einde verhaal was. Op dat moment hadden we de drie keuze-mogelijkheden voor een alternatief al aardig doordacht:

  • ergens in Vlaardingen een bestande ruimte huren
  • een bestaande ruimte kopen
  • een eigen garage te laten bouwen

Uiteindelijk viel de keuze op zelf bouwen. De benzinepomp, waar de leden tegen 6 cent korting tankten, stond er al. En de 4 cent die wij voor ons ‘ideaal’ reserveerden bleek voor Spaarbank Vlaardingen een voldoende dekking als garantstelling voor een lening om een eigen garage voor te kunnen bouwen.

 

URDV 60 49

 

Dit is uiteindelijk gelukt, maar niet zonder horten en stoten. Tijdens de bouw kregen we de benzinecrisis met de autoloze zondag. En Shell ontbond van de een op de andere dag het contract met ons: weg korting. Maar wel een aflossingsverplichting op onze lening met Spaarbank Vlaardingen. Tja, dan moet je, om de inkomsten zeker te stellen, wel uit een ander vaatje gaan tappen. In dit geval met Stella Artois - om (letterlijk) hoofdpijn van te krijgen.

 

URDV 60 50

 

Al met al, Een project om een boek over te schrijven.

De prehistorie van Autoclub Research omvat, als de roaring sixties, een tijdperk dat zich kenmerkt door ‘grote’ gebeurtenissen die vooral voortleven in veel, heel veel, mooie herinneringen, maar weinig foto’s. En er staat over die periode ook niet zoveel op papier.

Dat het allemaal echt gebeurd is blijkt uit het, helaas niet zo goed leesbare, onderstaande. Een carbon doorslag van een, nog op de ouderwetse manier, getypte overeenkomst tussen de Nederlandse Unilever Bedrijven B.V. en Autoclub Research.

 

URDV 60 51

 

12. Activiteiten buiten kantooruren (1)

 

Bridgeclub

URDV 60 52

 

Vanaf de opening van het laboratorium was klaverjassen en het spelen van bridge een populaire activiteit in de middagpauze. Immers de lunchtijd was één uur en dus ruim tijd voor ‘wat anders’. Echter toen de flexibele werktijden werden ingesteld en de lunchtijd minimaal een half uur werd en velen daar gebruik van maakten, was het gedaan met het bridgespel tijdens de middagpauze. Toen we met wat ‘oudgedienden’ er eens over spraken en die herinneringen naar boven haalden, ontstond de gedachte om een bridgeclub op te richten. Niet alleen de URL-medewerkers, maar ook de huisgenoten konden lid worden. John Barzilay en Cees Saarloos pakten dit op en zo ontstond een bridgecursus in de OTOSOOS.

 

URDV 60 53

 

John en Cees waren al behoorlijke bridgers en na aanschaf van een erg groot formaat kaartspel werd het alom bekende ACOL-systeem in twee jaar aan ongeveer 50 personen geleerd. Atie van Witzenburg en Suzan Borsboom stonden altijd belangeloos achter de bar en werden al snel ‘De Fritsygirls ‘ genoemd, vernoemd naar de lokale snackbar die regelmatig voor snacks zorgde. De meesten van deze cursisten zijn nog steeds lid van lokale bridgeclubs. Een bridgeclub op het Lab zelf is er nooit van gekomen.

 

Puzzelritten

Als onderdeel van de activiteiten van de Autoclub werd in de 70- en 80-er jaren jaarlijks door John Barzilay en Cees Saarloos een puzzelrit georganiseerd. Jaarlijks een ander thema. Van ‘bolletje-pijltje’ tot fotoherkenning. Groot was de animo en 70 tot 80 deelnemers was geen uitzondering.

 

URDV 60 54

 

John en Cees waren weken tevoren bezig met het uitzetten van de rit. Voor de puzzelrit werd geen toestemming gevraagd aan de politie (was toen nog niet zo nodig) en geweldige hilarische tafrelen speelden zich onderweg af wanneer de opgave wat moeilijker was. Vooral wanneer lokale bewoners het niet leuk vonden wanneer zoveel auto’s die ochtend door hun straat reden en omkeerden bij foute inschatting. Door de bewoners werden zelfs lokale herkenningspunten uit de opdracht verwisseld of weggehaald.

 

URDV 60 55

 

Ook belandden sommige deelnemers bijna in de sloot en werden door een tractor (op het laatst tegen betaling) er uit gehaald. De deelnemers moesten de antwoorden van de vragen onderweg noteren en aan het eind van de dag in het personeelsrestaurant werd de uitleg gegeven.

De laatste puzzelrit mocht niet meer op de openbare weg georganiseerd worden. Als alternatief werd de rit vervangen door opdrachten die uitgevoerd moesten worden op verschillende Unilever-terreinen. De rit tussen de terreinen was legaal. Op het terrein van de toenmalige LZM werd een behendigheidstest georganiseerd. De chauffeur werd geblinddoekt en de bijrijder moest aanwijzingen geven. Menige vriendschap kwam onder vuur te liggen.

 

URDV 60 56

 

Aan het eind van elke puzzelrit werden de prijzen uitgereikt. De laatste puzzelrit werd georganiseerd door Cees Poot en Rick Slikkerveer en het zal niemand verbazen dat de 1e prijs toen werd gewonnen door voormalig organisator John Barzilay.

 

 

13. Activiteiten buiten kantooruren (2)

 

Toneelclub

Ergens in de zeventiger jaren werd een toneelclub opgericht. Be Haringsma, Nen Elberg, Jaap Schaap, Inez Zomerman, Bertus Schoenmaker, Annie Freen , John Barzilay, Martin Hofstede en Cees Saarloos waren de vaste spelers in jaarlijks wisselende rollen.

 

URDV 60 57

Van links naar rechts: Inez Zomerman, Cees Saarloos, Janny Dronkers en Martin Hofstede 

 

URDV 60 58

Van links naar rechts:Bertus Schoenmakers, Annie Freen en Cees Saarloos

 

De uitvoering was jaarlijks in de Stadsgehoorzaal die met zo’n 600 personen altijd vrijwel vol was. Een aardige anekdote is dat toen het bezoekersaantal wat terugliep, werd besloten het nog leuker te maken en werd de prijs van het kopje koffie in de pauze verlaagd naar 10 cent. En wat denk je? Ja hoor, weer een volle zaal (of was het een leuker toneelstuk?).

 

Sint Nicolaasfeest

Een jaarlijkse happening was het Sint Nicolaasfeest. Overdag voor de kinderen en ’s avonds voor de URL-medewerkers en hun aanhang, Ab Keyer was Sint Nicolaas en de eerste Zwarte Pieten waren Wim Harms en Cees Saarloos.

 

URDV 60 59

 

In plaats van Wim waren de jaren daarna Joop van Witzenburg en John Barzilay de Pieten. Cees hield het 25 jaar vol. Jaarlijks werden ‘Chemische trucjes’ door de Zwarte Pieten uitgehaald of gedemonstreerd. De verhalen thuis verteld door de kinderen (en de volgende dag op het Lab door de vader/moeder) waren vol ongeloof wat de Pieten allemaal uitvoerden.

Zelfs maakte Sinterklaas (al bibberend van nervositeit) op een echte schimmel het Sunlight Paviljoen (toen ons restaurant) zijn opwachting. Traditie was dat voor het avond-Sinterklaasfeest er maanden te voren in de kelder van het laboratorium een vervoermiddel werd gemaakt voor de Sint. Samen met de mannen van de Instrumentmakerij (met Wim Harms voorop) werd telkens weer een vervoermiddel bedacht. Van ‘varende’ boot, tot stomende Locomotief, waarbij Ab Keyer op een toiletpot zittend en zwaaiend zijn entree maakte. Het waren geweldig plezierige avonden.

 

Personeelsavonden

In de beginjaren, toen het lab maar zo’n 100 man telde en alleen lab 1 nog was gebouwd, werd 1x per maand een personeelsavond georganiseerd in de kantine aan het eind in de bocht van Lab1. Later werd lab 3 daar aan gebouwd. Het was daar zo ongedwongen dat directeur Boekenoogen ’s avonds meehielp de afwas te doen. Er werd gepraat, geschaakt, gebridged en een glaasje gedronken en je ontmoette collega’s van de andere afdelingen.

 

URDV 60 60

1965 Gemaskerd bal

 

Voetbaltoernooi

In de jaren 70 en 80 werden voetbaltoernooien georganiseerd. Het ging daarbij om een beker die ter beschikking was gesteld door de heer Hannewijk. Alle afdelingen van het laboratorium vaardigden een team af. Veelal goede voetballers samen met gelegenheidsvoetballers. Dat laatste was vooral te zien aan de voetbalkleding.

De toernooien waren niet geheel zonder risico. Zo werd Hans de Looff door Jan Laan het ziekenhuis ingetrapt. Een gebroken been was het resultaat. Aat Don heeft toen nog een lied voor Hans geschreven (twee pagina’s) ‘Some get a kick from John Lane’, een parodie op ‘Some get a kick from cocaine’ van onder andere Frank Sinatra.

 

URDV 60 61

Bovenste rij: Cees Saarloos, Rick Slikkerveer, Aat Don, Han Blonk, Cor Lagerwaard, ??

Onderste rij: Alex Braadt, Joop van Witzenburg, Koos Hoogenboom, Ies Heertje, Theo Liefkens

De toernooien waren erg gezellig. Soms schitterend weer, soms regenachtig en koud. In het begin werd op de velden van Sunlight gespeeld, later op die van HVO. In de pauzes tussen de wedstrijden werd uitgebreid klaverjas gespeeld.

 

URDV 60 62

Actie op het veld

URDV 60 63

Bovenste rij: Ab Boon, Aat Don, Frans van Stijn, Cor Lagerwaard, Ruud Crezee, Kest Hissink, Hannewijk, Rick Slikkerveer

Onderste rij: Rob van Leemput, John van der Pas, Peter van Geffen, Cees Montanus, Jan Benjamins

 

Pas echt gezellig werd het met mooi weer. Sommige dronken een biertje in de pauze, maar konden daarna geen voet meer verzetten.

Er werden niet alleen toernooien binnen het lab georganiseerd. Ook tussen de bedrijven werd jaarlijks het Unilever voetbal toernooi in Rotterdam georganiseerd. In hoogtijdagen deden wel 10 tot 15 teams mee. Hieronder het URL team, dat wel eens de eerste prijs heeft gewonnen.

 

URDV 60 64

Bovenste rij: Aad van Dijk, Arie Lansbergen, Bertus Schoenemakers, ??, ??. ??, ??

Onderste rij: Jan de Bruine, Cees Saarloos, Cock Mookhoek, Jan de Man, Gerard ?, ??, Aat Don

 

Bestrijding van Files met onder andere het Fietsenplan

In de jaren eind 90 was een dagelijks groter wordend landelijk probleem het ontstaan van files. Ook bedrijven werden verzocht mee te denken. Bij ons werd Het Fietsenplan bedacht, waarbij alle medewerkers in de gelegenheid werd gesteld een fiets voor de helft van de prijs aan te schaffen en daar tenminste drie dagen in de week mee naar het lab te fietsen. De directie betaalde de andere helft. Wij waren in Nederland de eersten die dat deden en er was nog geen belastingvoordeel voor de bedrijven. 250 fietsen werden op die manier aangeschaft. Geweldig waren de ‘passen en meten’- middagen in een hal van de voormalige proeffabriek waarbij een lokale fietsenmaker (de goedkoopste) met de diverse modellen aankwam. Cees Saarloos en Jan Rogaar waren de animators.

Omdat vanuit de wijk Holy dagelijks een paar honderd medewerkers met eigen vervoer veelal de auto kwamen, ontstond de gedachte om met eigen busjes voor 1 gulden per rit het vervoer naar het lab te regelen. De aanmelding kon de dag ervoor of zelf op de dag (tot half acht) elektronisch gebeuren. Een lokaal taxibedrijf was de vervoerder en droeg ook de risico’s. Toch werd het geen succes omdat de verplichting om op een bepaald tijdstip te worden opgehaald te veel ‘vrijheid’ werd ingeleverd. Dan maar zelf weer met de auto.

 

URDV 60 65

 

 

14. Open Home URDV druk en gezellig !

 

2600 bezoekers had de Open Home van Unilever R&D Vlaardingen op 4 juni. Een grote drukte in een gezellige sfeer. Het lab had er zijn best op gedaan om familie en oud-medewerkers iets van hun werk te laten zien.

 

60 jaar R&D

De Open Home vond plaats in het kader van 60 jaar R&D en dat was te zien. Niet alleen waren op verschillende plekken kleine tentoonstellingen ingericht die iets over de 60 jaar lieten zien. En dan vanzelfsprekend met innovaties die de producten van Unilever hebben ondergaan, uiteraard met hulp van Vlaardingen.

Verder herinnerden vele foto’s op muren en ramen aan de zestig jaar. De verbindingsgang van entreehal naar Casa Nova was een tunnel aan successen opgefleurd met de kleuren van de huidige huisstijl van Unilever.

 

Nieuwe producten

Maar er was meer: nieuwe producten werden getoond en aangeboden, je kon een test doen voor gezond en duurzaam eten, je kon een advies voor je persoonlijke huidverzorging krijgen, de maag kon gevuld worden met de nieuwste producten van Unilever Foodsolutions en de nieuwste analytische technieken werden getoond en uitgelegd.

 

De gepensioneerden in Casa Nova

Voor de gepensioneerden onder ons was de bovenverdieping van Casa Nova apart ingericht. Een paar honderd oud-medewerkers hadden gebruikt gemaakt van de uitnodiging en vooral in de ochtend zorgde dat voor een gezellig samenzijn.

 

Bijdrage U-Vitalis

Uw U-Vitalisteam heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan deze Open Home. De herinneringen die u op U-Vitalis de afgelopen maanden heeft kunnen lezen, waren nu in postervorm tentoongesteld. Samen met collages van vele oude foto’s.

Ook was er een kleine tentoonstelling ingericht met oude laboratoriumapparatuur. En er werd een demonstratie gegevens over het gebruik van U-Vitalis.

Dat was Casa Nova. Maar in het gehele laboratorium werd op schermen continue een fotopresentatie over 60 jaar R&D getoond: gebouwen, laboratoriumzalen en mensen. Deze presentatie was samengesteld door het U-Vitalisteam en Gerard van Dalen. U kunt de presentatie nog eens rustig bekijken op U-Vitalis.

 

 

En tot slot was er de film over de bouw van Gebouw A, gemaakt door Jan Keuzenkamp. Jan heeft zijn smalfilm vlak voor zijn overlijden aan het U-Vitalisteam gegeven om het in digitale vorm te publiceren. De film werd de gehele dag in Casa Nova getoond. Jammer genoeg heeft Jan dat moment niet meer mee mogen maken.

Ook deze film is nu te zien op U-Vitalis.

 

 

Al met al: de Open Home van URDV was een succes! En de goody bag na afloop was dat ook…..

Wilt u meer zien van de Open Home? Bekijk dan onderstaande fotocollages die Gerard van Dalen van de officiële foto’s heeft gemaakt.

 

URDV 60 66

URDV 60 67

URDV 60 68

URDV 60 69

URDV 60 70

URDV 60 71

URDV 60 72

 

 

 

15. Reünie Proeffabriek een groot succes!

 

 

Op donderdag 3 november is er een reünie gehouden van de voormalige Proeffabriek bij Unilever Research & Development in Vlaardingen voor iedereen die daar zo tussen 1960 en 1982 werkte.

Dit is lang geleden en de leeftijd van de 120 deelnemers (83 oud-collega’s plus 37 partners) lag dan ook tussen 60 en 90 jaar. Het vinden van namen en contact adressen door het uit vier man tellend organisatie-team ( Frans van der Hoeven, Lex van Buren, Martin Hilder en Ruud van Putten) verliep moeizaam aangezien Progress noch PZ/HR informatie konden geven om privacy redenen. Maar gelukkig bleek het oude Proeffabriek netwerk nog steeds goed te functioneren en vele namen en adressen konden daardoor opgespoord worden. Een enkeling bleek onvindbaar en er bleken helaas 60 oud-collega’s overleden te zijn.

 

URDV 60 73

 

Na binnenkomst in het Lab en het aanmelden werd eerst een bezoek gebracht aan de oude Proeffabriek werklocatie “Hal 1”, het huidige personeelsrestaurant Casa Nova. Na een kopje koffie hield Gerard Smits (ex- Proeffabriek Groepsleider uit het midden van de jaren 80) daar een kort welkomstwoord, waarin het destijds bijzondere karakter en de unieke sfeer van de Proeffabriek belicht werd. Die sfeer van vroeger was weer even helemaal terug tijdens de reünie. Er waren enthousiaste ontmoetingen van mensen die elkaar soms meer dan 50 (!) jaar niet hadden gezien of gesproken.

Daarna verplaatste iedereen zich naar de sociale ontmoetingsruimte “de LabTap” op 5 minuten loopafstand van Research voor een uitgebreid Indonesisch buffet en de nodige drankjes. De deelnemers was gevraagd om foto’s en documenten uit de zestiger en zeventiger jaren in te brengen. Met dit materiaal werd een presentatie samengesteld die op schermen in de LabTap was te zien. Deze dia-show ziet u onderaan. Foto’s, genomen tijdens de reunie, zijn eveneens beschikbaar via www.U-Vitalis.nl (zie link hieronder).

De reacties van de oud-collega’s waren unaniem zeer positief en dus kan er zonder meer gesproken worden van een bijzonder geslaagde reünie. Dit was mede te danken aan het beschikbaar stellen van de diverse locaties door URDV en de inzet van een aantal huidige medewerkers van Research (o.a. Yolanda Lykidis/Conny Nieuwenhuis/Koos Blokland voor presentatie,ontvangst en opvang, en Peter van der Weg als onze “hof”fotograaf).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Personeelsbladen URDV

URL Nieuws

Op 11 november 1982 werd voor het eerst een personeelsblad van URL Vlaardingen uitgegeven. Achtergrondinformatie over het reilen en zeilen van het laboratorium: over het werk van de Science Policy Group, over het bezoek van Italiaanse parlementsleden, over de uitreiking van de Unilever Chemieprijzen en over verschenen wetenschappelijke publicaties.

Piet Baalman vormde samen metJanet van Huisstede de redactie. Wim Kalmijn, Bart Tritten en A.L. van Wingerden vormden de adviescommissie. De opmaak werd verzorgd door Koos Smit en Mari van der Giessen met simpel knip- en plakwerk. Cees Doudeijns zorgde samen met Huug Steenhoek voor het drukken. Gewoon in huis allemaal.

 

Tot januari 1994 zouden er 78 nummers verschijnen. De frequentie veranderde van zo nu en dan naar maandelijks, de vormgeving werd gelikter, vooral door de komst van de grafische computer en er kwamen meer foto’s in die gemaakt werden door Gert van den Berg, Cees van Mourik en Maurice Brandts. Het drukwerk werd op een gegeven moment uitbesteed.

URL Nieuws werd in toenemende mate gebruikt om belangrijke besluiten van de directie toe te lichten. Speciale edities verschenen er, over voorgenomen én over definitieve besluiten. Natuurlijk betroffen die besluiten omvangrijke reorganisaties, waaronder die van de ondersteunende groepen in 1989.

 

 

URL Vandaag/URV Vandaag

URL Nieuws werd ook gebruikt voor de Sociale Jaarverslagen en ter ondersteuning van verbeterprojecten, zoals Total Quality. Zo werd Nota Bene toegevoegd met ‘verbeter’-verhalen. Dat was reden om de opzet te veranderen tot URL Vandaag. De redactie bestond inmiddels uit John Deij en Job van der Meer en zij kregen hulp van het communicatiebureau Chapeau.

 

De opzet van de communicatie veranderde ook: er kwam gelegenheid om vanuit de lezer iets te laten horen. Echte communicatie dus. We kregen een column, ‘Dodo legt een eitje’, lezers mochten laten horen wat ze van een ontwikkeling vonden in de rubriek ‘Wat vindt u nou…?’ en er kwam zelfs een rubriek ‘Boos’. Veranderingen in cultuur werden dus ook zichtbaar in de communicatie.

 

R&D Magazine/Vlaardigheden

Na nummer 41 van april 1998 veranderde URL Vandaag stiekem naar URV Vandaag, een eerste afscheid van het woord ’laboratorium’. Development ging een steeds belangrijker rol spelen en dat moest in de naam van ons personeelsblad tot uitdrukking komen. Zo ontstond na 75 nummers in november 2001 het R&D Magazine. Vanwege de huisvesting van niet R&D-groepen als People Link en Finance, veranderde de naam na 18 nummers in november 2003 in Vlaardigheden.

 

 

 

hetLab/the Lab

Maar uiteindelijk keert de naam Laboratorium toch weer terug in de naam van ons personeelsblad. Na 12 nummers Vlaardigheden komt in maart 2005 het eerste nummer van hetLab. Er zouden tot november 2007 24 nummers uitgegeven worden. Daarna nam Engels de Nederlandse taal over en verscheen vanaf februari 2008 The Lab en die bleef met ongeveer 17 nummers tot eind 2010 bestaan. Daarna moesten digitale publicaties het overnemen. Geen papieren personeelsbladen meer, ook niet landelijk overigens. Tenminste wat Unilever betreft.

 

 

 

Tot slot

Alle nummers van de personeelsbladen zijn digitaal in te zien via U-Vitalis. Klik op een foto en/of de overzicht-links en u krijgt toegang tot de volledige reeks gepubliceerde nummers.

Deze digitalisering is het werk van de enthousiaste oud-medewerkers Jan Kraal en Emile Verdegaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Personeelsbladen Loders Croklaan

Loders Croklaan kent een lange traditie voor wat betreft haar Personeelsbladen. In het archief van dit bedrijf in Wormerveer legde U-Vitalis de hand op een grote hoeveelheid magazines.

Een groot deel van deze magazines zijn inmiddels gedigitaliseerd en hebben een plekje gekregen op de boekenplanken van deze website.

Hieronder leest u een overzicht van de tot dusver ingescande personeelsbladen. Als u op een titel klikt, ontvouwt zich de boekenplank met daarop de beschikbare edities.

Veel leesplezier !

- - -

Personeelsbladen Loders Croklaan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Personeelsbladen Lever Nederland

U-Vitalis beschikt over een leuke serie personeelsbladen van de werkmaatschappij Lever in Nederland.
Deze serie kwam tot stand met medewerking van Bert van IJperen van Lever.

 

Personeelsbladen Lever Nederland  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eigen Terrein archief

Vanaf deze pagina kunt u lekker bladeren door ons uitgebreide Eigen Terrein archief. U-Vitalis beschikt over (bijna) álle edities.

Lees eerst de 'gebruiksaanwijzing' onderaan deze pagina of klik op een van de onderstaande jaargangen om verder te gaan.

Jaargang 62 - 2007 Jaargang 61 - 2006 Jaargang 60 - 2005
Jaargang 59 - 2004 Jaargang 58 - 2003 Jaargang 57 - 2002
Jaargang 56 - 2001 Jaargang 55 - 2000 Jaargang 54 - 1999
Jaargang 53 - 1998 Jaargang 52 - 1997 Jaargang 51 - 1996
Jaargang 50 - 1995 Jaargang 49 - 1994 Jaargang 48 - 1993
Jaargang 47 - 1992 Jaargang 46 - 1991 Jaargang 45 - 1990
Jaargang 44 - 1989 Jaargang 43 - 1988 Jaargang 42 - 1987
Jaargang 41 - 1986 Jaargang 40 - 1985 Jaargang 39 - 1984
Jaargang 38 - 1983 Jaargang 37 - 1982 Jaargang 36 - 1981
Jaargang 35 - 1980 Jaargang 34 - 1979 Jaargang 33 - 1978
Jaargang 32 - 1977 Jaargang 31 - 1976 Jaargang 30 - 1975
Jaargang 29 - 1974 Jaargang 28 - 1973 Jaargang 27 - 1972
Jaargang 26 - 1971 Jaargang 25 - 1970 Jaargang 24 - 1969
Jaargang 23 - 1968 Jaargang 22 - 1967 Jaargang 21 - 1966
Jaargang 20 - 1965 Jaargang 19 - 1964 Jaargang 18 - 1963
Jaargang 17 - 1962 Jaargang 16 - 1961 Jaargang 15 - 1960
Jaargang 14 - 1959 Jaargang 13 - 1958 Jaargang 12 - 1957
Jaargang 10 - 1955 Jaargang 9 - 1954
 Jaargang 8 - 1953  Jaargang 7 - 1952  Jaargang 6 - 1951
 Jaargang 5 - 1950 Jaargang 4 - 1949 Jaargang 3 -  1948
Jaargang 2 - 1947 Jaargang 1 - 1946  
(Opm.: Jaargang 43 - 1988 incompleet)

- - -

Gebruiksaanwijzing Eigen Terrein archief

  • Klik op het jaargang dat u wilt doorbladeren.
  • De boekenkast opent met alle edities van het gekozen jaar (jaartal staat bovenin).
  • Rechtsboven ziet u 3 buttons (Name/Date/verzendpijltje).
  • Klik eenmaal op 'Date' en de edities worden van het eerste tot het laatste nummer gerangschikt. Als u nogmaals op 'Date' klikt wordt de volgorde weer omgedraaid.
  • Klik nu eenmaal op de editie die u wilt lezen.
  • Een wit venster opent met gegevens (o.a. het jaartal en volgnummer en het aantal pagina's) en u ziet een blauwe button met de tekst 'View'. Klik op deze blauwe button en de editie wordt geopend.
  • Op een blauwe achtergrond opent nu de gevraagde Eigen Terrein.
  • Linksboven in de witte balk ziet u nu de titel, het nummer en een blauwe link ('Open in new window') waarmee u deze uitgave in een nieuw venster kunt openen. Dit is niet verplicht, u kunt er ook voor kiezen meteen verder te gaan.
  • Links en rechts op uw beeldscherm ziet u witte pijltjes waarmee u naar de vorige of volgende bladzijde kunt bladeren.
  • Bladeren kan echter ook door met uw muis onderin het hoekje van de pagina te gaan staan, uw linkermuis in te drukken en de pagina zo handmatig om te slaan.
  • Boven in het midden van de blauwe balk ziet u nog een aantal lichtgrijze buttons die u verder op weg kunnen helpen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Unilever Nederland

uLogo 400

Unilever is het grootste bedrijf in fast moving consumer goods in de Benelux. In Nederland brengen we zo’n 40 bekende merken op de markt.

Deze bekende merken vertegenwoordigen een uiteenlopend assortiment producten onder merknamen als Axe, Becel, Bertolli, Biotex, Blue Band, Calvé, Cif, Conimex, Dove, Glorix, Hertog, Knorr, Lipton, Neutral, OLA, OMO, Prodent, Unox, Zendium en Zwitsal.

Onze vestigingen
Bij Unilever in Nederland werken ruim 3.100 mensen. Unilever heeft hier drie productievestigingen: Hellendoorn (ijs), Oss (soepen, sauzen en rookworst) en Rotterdam (margarine en pindakaas). Daarnaast bevinden zich in Rotterdam Unilevers internationale Corporate Centre – met daarin haar Europese marketing- en innovatiehub – en het kantoor van Unilever Benelux. Ook een van Unilevers zes grote internationale researchlaboratoria is gevestigd in Nederland: Unilever Research & Development in Vlaardingen. Naast alle consumentenproducten heeft Unilever ook een internationaal foodservicebedrijf, Unilever Food Solutions. Dit bedrijf levert producten en diensten aan de professionele voedingsmiddelenbranche (hotels, restaurants, cateraars).

Unilever Pensioenfondsen

Op 1 januari 2017 is de Stichting Algemeen Pensioenfonds Unilever Nederland (hierna: Unilever APF) ontstaan. Dit als gevolg van een fusie tussen Progress en Forward. Progress en Forward hebben allebei hun eigen financiële positie behouden en zijn nu onderdelen (kringen) van het Unilever APF.

  Progress nieuws
 
  Documenten
  Introductie

Progress is opgericht in 1921 en bestaat dus al 90 jaar. Het pensioenfonds behoort tot één van de grotere ondernemingspensioenfondsen in Nederland, met een belegd vermogen van ongeveer 4 miljard euro.

Per 1 januari 2017 zijn Progress en Forward gefuseerd in één Algemeen Pensioenfonds, Unilever APF.

  Contact
www.unileverpensioenfonds.nl
U kunt zich hier ook aanmelden voor eService 

 

Verantwoordingsorgaan kring Progress

Elke Kring binnen het Unilever APF heeft zijn eigen Verantwoordingsorgaan. In het Verantwoordingsorgaan van Kring Progress zijn medewerkers, pensioengerechtigden en de werkgever vertegenwoordigd. Het Bestuur legt aan het Verantwoordingsorgaan verantwoording af over het gevoerde beleid.

Het Verantwoordingsorgaan geeft ieder jaar een oordeel over het handelen van de Raad van Bestuur van het Unilever APF en over de beleidskeuzes die zij gemaakt heeft ten aanzien van Kring Progress Daarnaast heeft het Verantwoordingsorgaan de volgende taken:

  • Voordragen van kandidaten voor het bestuur (medewerkers en gepensioneerden);
  • Adviseren over de statuten;
  • Adviseren over het communicatiebeleid;
  • Adviseren over de uitvoeringsovereenkomst tussen Unilever en het Unilever APF. Hierin staan onder andere afspraken over indexatie.

 
Samenstelling Verantwoordingsorgaan

Vanaf 1 januari 2019 is de samenstelling van het VO als volgt.

Namens de werknemers:
1. Jolanda Mathot (FNV)
2. Marco Dekker (FNV)
3. Corrinne van Velden (Vrije lijst)
4. Chris Nagtegaal (Vrije lijst)

Namens de gepensioneerden:
1. Elly Christ (VUG)
2. Mieke Claushuis (VUG)
3. Jan Heemskerk (VUG)
4. Nico Overbeeke (VUG)
5. Dick Toet (VUG)
6. Peter van de Watering (VUG)

Namens de werkgever:
1. Ryanne Besselink
2. Bas Verberg

De zes vertegenwoordigers van de gepensioneerden hebben tezamen 20 stemmen.
De vier vertegenwoordigers van de werknemers hebben 4 stemmen (1 per persoon).
De twee vertegenwoordigers van de werkgever hebben tezamen ook 4 stemmen.

 

 

 

 

 

 

U-Vitalis In Beeld

Op deze pagina's vindt u alle opgeslagen fotoboeken, personeelsbladen en andere historische informatie van Unilever bedrijven in Nederland.

Fotoboeken U-Vitalis

VGU-HkR

2019 ALV/Kerstbijeenkomst

2019 Bus-/bootreis Zeeland

2018 ALV/Kerstbijeenkomst

2018 Boottocht naar Gorinchem

2017 ALV/Kerstbijeenkomst

2017 Biesbosch - Oud Heusden

2016 ALV/Kerstbijeenkomst
2016 West-Friesland
2015 Slot Loevestein
2014 Maasvlakte
2013 Broekerveiling

COGU

2019 jaardag 19 november

2018 jaardag 20 november 

2017 jaardag 29 november (verslag)

2016 jaardag 24 november
2015 Jaardag 4 november
 
BIG / Lever

2019 Kerstbijeenkomst

2019 BIG dagtocht

2015 Vaartocht 2e Maasvlakte
2012 Kerstdiner BIG

Oude foto's Lever

GVUZ

2018 Boottocht Biesbosch

2018 Reünie en jaarvergadering

2017 Boottocht Biesbosch
2016 Boottocht Maasvlakte
2016 Reüniedag in Zwijndrecht
2015 Reünie in Zwijndrecht
2013 Reünie op De Zilvermeeuw

Iglo/Lucas Aardenburg

2019 Kerstdiner Hoogeveen

2019 Uitstapje Iglo Ola Utrecht

2018 Kerstdiner

2018 Uitstapje Iglo Ola Utrecht 
2017 Uitstapje Iglo Ola Utrecht
2016 Uitstapje Iglo Ola Utrecht
2015 Uitstapje Iglo Ola Utrecht
2014 Uitstapje Iglo Ola Utrecht

2012 Iglo Reünie Nassaukade
2011 Uitstapje Iglo Ola Utrecht

Steun bij Ziekte

2018 Vitaliteitsdag Papendal

2017 Vitaliteitsdag Papendal

2016 Vitaliteitsdag Papendal

2015 Vitaliteitsdag Papendal


GV UVG-N

2017 Viering 25-jarig jubileum in Oss

 

UBN

2019 Ontmoetingsdag VvG UBN

2018 Ontmoetingsdag VvG UBN

2017 Ontmoetingsdag VvG UBN

2016 Ontmoetingsdag VvG UBN
2015 Ontmoetingsdag VvG UBN

URDV

2018 Reünie ACR

2018 Gepensioneerdendag

2017 Gepensioneerdendag

2016 Reünie Proeffabriek

2016 URDV 60 jaar
2015 Gepensioneerdendag
2014 Gepensioneerdendag
2013 Open Dag
2012 Gepensioneerdendag

ACR garage (bouw/ingebruikname)


Loders Croklaan

2019 Gepensioneerdentocht
2018 Gepensioneerdentocht
2017 Gepensioneerdentocht
2016 Gepensioneerdentocht 
2015 Gepensioneerdentocht 
2014 Gepensioneerdentocht

 

Unilever Nederland

Nieuwjaarsconcert  2016

Personeelsbladen

Eigen Terrein (1946-2007)

One!- Opvolger van Eigen Terrein

Personeelsbladen Lever Fabergé
(All-in, BeLEVERnissen, Together, Sociaal Jaarverslag)

Personeelsbladen Loders Croklaan
(Info Varia, LC varia, LC magazine, Palmmatters, Oleum)

Personeelsbladen Unilever R&D Vlaardingen
(URL Nieuws, URL/URV Vandaag, R&D Magazine, Vlaardigheden, hetLab/The Lab)

Unilever Bedrijven

Historische en andere informatie van een aantal Unilever-bedrijven in Nederland, te weten:

 

Calvé Delft

De Betuwe Tiel

Iglo/Lucas Aardenburg

Lever Fabergé

Lever Industrial

Unilever R&D Vlaardingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Unilever Bedrijven in Nederland

Hieronder leest u historische en andere informatie van een aantal Unilever-bedrijven in Nederland.

Achtereensvolgens zijn dit:

 

Calvé Delft

De Nederlandsche Oliefabriek, later bekend geworden als Calvé, werd in 1883 opgericht voor de productie van olie uit aardnoten ten behoeve van de groeiende margarine-industrie. Margarine was kort daarvoor ontwikkeld als surrogaat voor boter. De grondstof voor margarine, aardnotenolie, werd uit Frankrijk geïmporteerd. Deze grondstof wilde men nu in eigen land gaan produceren. Na wat proefnemingen in de Gistfabriek vroeg directeur Van Marken aan de pas afgestudeerde chemicus J.R. Tutein Nolthenius of hij er wat voor voelde om oliefabrikant te worden.

Het nieuwe bedrijf, voor de vervaardiging van fijne olie, moest een aparte plaats gaan innemen naast de al bestaande Nederlandse olie-industrie, die in talrijke kleine bedrijfjes alleen lijnzaad en raapzaad verwerkte. Juist toen besloten was tot het oprichten van de fabriek vernam men dat een vooraanstaand oliebedrijf uit Frankrijk op het punt stond een vestiging in ons land te openen. Na contacten werd besloten om gezamenlijk verder te gaan en er kwam dan ook een Nederlands-Franse directie (dr. Jan Tutein Nolthenius en Gaston Thubé). Het vereiste startkapitaal van ƒ 500.000,- was in juni 1883 binnen en in datzelfde jaar waren de vergunningen verleend. In september volgde de eerste-steenlegging voor de fabriek, net buiten de stad, in de gemeente Hof van Delft. Aannemer voor de bouw was de Delftenaar J. den Braanker, die in 1869 ook al de Gistfabriek voor zijn rekening genomen had. Den Braanker was overigens zelf aandeelhouder in de fabriek.

In het ‘memoriaal’ in het archief van Calvé van september 1883 wordt deze stap als volgt omschreven:

“Aangenomen door J. den Braanker, timmerman en aannemer te Delft, het graven der fondeering, sleuven, het metselen van de fondamenten en ophoogen van het terrein, voor de somma van ƒ 8345,19. Het daarstellen der Fabriek gebouwen en aanhoren met de schoorsteen met inbegrip van aard-, timmer- en metselwerk, lood-, zink-, gesmeed- en gegoten ijzerwerk, verf-, glas-, behang- en steenhouwwerk. Alles volgens bestek en teekeningen voor de somma van ƒ 57.200,-.”

 

Voor- en tegenspoed

Tien maanden later al was de Oliefabriek voltooid en in april 1884 begon de productie. Sinds 1883 was het terrein van de Gist- en de Oliefabriek aangesloten op het spoorwegnet, wat de aan- en afvoer van steenkolen, spiritus, gist en grondnoten vergemakkelijkte. Toch was de start van de Oliefabriek moeizaam. Zo stonden margarinefabrikanten aanvankelijk afwijzend tegenover de in ons land geperste aardnotenolie en boeren wilde hun vee niet wagen aan een nevenproduct van de fabriek, de oliehoudende veekoeken.

Een andere tegenslag was het afbranden van het bedrijf in augustus 1884. Nog geen jaar na de start werd de fabriek zwaar getroffen door een felle brand. De Oliefabriek kreeg van B&W toestemming tot herbouw, maar er werden verschillende brandwerende voorwaarden gesteld. Zo moest er op het oliemagazijn een ijzeren kap worden geplaatst (de directie wilde een houten overkapping) en de muren moesten een dikte hebben van minstens 0,33 m. Ook de bintlagen dienden van ijzer te zijn en verankerd met de muren, terwijl de toegangen voorzien moesten worden van dubbele ijzeren deuren met een ruimte van 0,20 m. ertussen. Ten slotte werd bepaald dat het afval van de aardnoten (de grondstof voor de olie), zoals de bast, bewaard moesten worden “op een terrein zoover mogelijk van het hoofdgebouw en het magazijn”.

Vier maanden later was de fabriek echter al weer bedrijfsklaar en kon de productie worden hervat. De resultaten waren aanvankelijk teleurstellend en men moest zich zelfs beraden over het staken van de onderneming. Van Marken adviseerde de aandeelhouders de zaak voort te zetten: hij voorspelde de margarine een grote toekomst. De aardnotenolie werd in toenemende mate als fijne tafelolie gebruikt en de vraag naar veekoeken nam toe. Bovendien waren voor de fabricage van margarine ook andere oliën dan aardnotenolie geschikt.

De margarinefabricage werd inderdaad een groot succes. In 1889 was het verlies weggewerkt en werd het eerste bescheiden dividend uitgekeerd. Het begin van de jaren negentig verliep bevredigend voor de Oliefabriek, tot het moment dat er een goedkope en kwalitatief goede Amerikaanse katoenolie op de markt kwam. De aardnotenolie kon hier moeilijk tegen concurreren. Bovendien werden aardnoten schaarser en daardoor duurder. Forse bezuinigingen waren noodzakelijk en er werd opnieuw aan liquidatie gedacht.

 

Calvé

In plaats van een opheffing kwam er echter een fusie met een branchegenoot. Besprekingen leidden er toe dat de Oliefabriek in 1897 een samenwerking aanging met een vergelijkbaar Frans bedrijf, van de broers Emmanuel en Georges Calvé. Dit resulteerde in de Fransch-Hollandsche Oliefabrieken Nouveaux Etablissements Calvé-Delft, doorgaans kortweg Calvé-Delft genoemd. Onder deze naam zijn de onderneming en de producten bekend geworden.

Door de Frans-Nederlandse samenwerking hoopte men tot een betere spreiding van de risico’s te komen. Met succes, want de productie en de resultaten verbeterden sterk. Verwerkte men in 1885 ongeveer drie miljoen aardnoten, twintig jaar later was dit aantal verachtvoudigd en lag het op 23 miljoen. In 1914 kwam ten noorden van het fabriekscomplex een haven voor de verschillende bedrijven gereed, vier jaar later een 42 meter hoge opslagsilo met een capaciteit van 8500 ton.

 

Eerste Wereldoorlog

De aanvoer van de belangrijke grondstof aardnoten uit Afrika verliep in de jaren van de Eerste Wereldoorlog door de Duitse blokkade moeizaam en de productie kelderde. De nog aanwezige voorraden noten werden in een zeer traag tempo verwerkt. Om verzekerd te zijn van de afzet en om de kwetsbaarheid van het eigen bedrijf te verkleinen nam grootleverancier Calvé in de loop van de tijd belangen in meerdere margarinefabrieken in binnen- en buitenland.

In 1913 werd het eerste receptenboekje voor de Delftsche Slaolie uitgegeven, in de loop der jaren gevolgd door een variëteit aan publicaties. Vooral de ‘zomer- en winterboekjes’ genoten veel bekendheid. In de jaren twintig begon Calvé met de verkoop van een reeks huishoudelijke gebruiksvoorwerpen, als kommen en schalen. Reclame voor de firma en voor de producten werd verder gemaakt met de publicatie van kruiswoordpuzzles in kranten en door middel van het uitgeven van sprookjesboeken en vooral de serie Arretje Nof.

 

Een moeizame periode

Vanaf de tweede helft van de jaren twintig ging het moeizamer met Calvé. Vanwege invoerbelemmeringen, moordende concurrentie en lage prijzen waren de resultaten zeer teleurstellend. De hele olie- en margarinebranche had het in de jaren twintig moeilijk, waardoor veel ondernemingen in de problemen kwamen. Er vonden nieuwe onderhandelingen plaats met een grote concurrent, de Margarine Unie, waarmee een samenwerkingsverband werd gesloten. De eerste jaren lieten echter nog geen verbetering zien, vooral omdat de wereldwijde crisis de resultaten drukte. Voor de derde maal in de geschiedenis van Calvé werd gedacht aan een liquidatie van de onderneming. Met behulp van een straffe reorganisatie én met vernieuwingen (een moderne perserij, raffinaderij en een fabriek voor mengvoeders) keerde het tij.

 

Tweede Wereldoorlog

Na de Duitse inval in ons land in mei 1940 werd in Delft en omgeving hevig gevochten. De luchtafweer was onder andere opgesteld op het dak van de vetharding van Calvé. Gedurende de bezetting viel de export geheel weg en door opgelegde beperkingen werkte het productie-apparaat op den duur op een laag peil. Ook de werkzaamheden veranderden, want er werd nog slechts een geringe hoeveelheid olie, vetten en veevoer gefabriceerd. Van de Lijmfabriek werd het product ‘Delftse Frisse’ overgenomen. Met veel succes: er werden miljoenen pakjes van deze gelatinepudding verkocht. Het laboratorium ontwikkelde producten die zonder bon verkrijgbaar waren. Een behoorlijk deel van het personeel werd opgeroepen voor de Arbeitzeinsatz.

 

Nieuwe producten

De eerste naoorlogse jaren waren door verschillende factoren zwaar: de invoerbeperkingen in andere landen bijvoorbeeld, maar ook de schaarste aan deviezen en de lage waardering van de gulden waardoor de grondstoffen prijzig waren. De distributie ging in de eerste naoorlogse jaren nog door. Ook werd duidelijk dat voorheen vaste (buitenlandse) afzetmarkten voortaan onzeker waren en dat er nieuwe markten moesten veroverd worden. Bovendien was de tijd rijp voor nieuwe producten. Mayonaise en slasaus waren door Calvé al vóór de Tweede Wereldoorlog op de markt gebracht, maar de verkoop van consumptie-artikelen zou pas jaren na de oorlog een grote vlucht nemen. Naast de margarines, mayonnaises, slasauzen, tomatenketchups, e.d. werd in 1948 een artikel op de markt gebracht waar Calvé misschien wel het meest bekend door is geworden: de pindakaas.

 

Vernieuwing

Midden jaren zestig ging de eerste paal de grond in voor de bouw van een nieuwe levensmiddelenfabriek aan de Wateringseweg, in 1969 vond de opening plaats van het elf miljoen kostende complex. Behalve dat zij te klein was voldeed de oude fabriek ook niet meer aan de hygiënische voorschriften. De nieuwe fabriek kan symbool staan voor de doelbewuste oriëntatie van Calvé op de productie van levensmiddelen. Calvé-Delft had zich ontwikkeld van een ‘oliebedrijf’ tot een modern levensmiddelenconcern. Bedroeg de winst begin jaren vijftig ruim een miljoen, midden jaren zestig werd de vier miljoen gepasseerd, weer tien jaar later de 7,5 miljoen.

Calvé recruteerde zijn personeel gedurende de eerste driekwart eeuw van het bestaan vooral uit Delft en omgeving, de personeelskrapte in de zestiger jaren van de twintigste eeuw leidde tot de contractering van Portugese gastarbeiders. De jaren zeventig waren op personeelsgebied een onrustige tijd: meermalen kwam het bij Calvé-Delft tot acties en stakingen. Het nauwe contact tussen directie en personeel, zo kenmerkend voor de eerste decennia van het bedrijf, behoorde dan ook tot een lang vervlogen verleden.

 

Calvé start

Bericht in De Fabrieksbode van 21 juli 1883.

“Binnenkort zal Delft eene nieuwe fabriek rijker worden. Onder den naam van Nederlandsche Oliefabriek wordt eene maatschappij opgericht die [..] eene fabriek zal stichten tot het vervaardigen van olie, voornamelijk uit zoogenaamde arachiedes of grondnoten, een tak van nijverheid die vooral in Frankrijk met voordeel gedreven wordt. Een kapitaal van ƒ 500.000,- in aandeelen van ƒ 2500,- is gedeeltelijk in Frankrijk en gedeeltelijk in Nederland bijeengebracht. Zoodra de plannen gereed zijn zal met den bouw der fabriek een aanvang worden gemaakt, zoodat zij in het voorjaar van 1884 in werking zal kunnen treden. Directeuren der onderneming zullen zijn de heeren Dr. Jan Tutein Nolthenius van Amsterdam en Gaston Thubé van Nantes (in Frankrijk); commissarissen de heeren Begeman te Helmond, Van Limburg Stirum te Haarlem, Lorois en Lourmand te Nantes. Onze directeur, de heer Van Marken, zal als raadgever zijne ervaring aan de nieuwe onderneming doen ten goede komen. De oprichters schreven in hun prospectus, waarbij zij de kapitalisten tot deelneming uitnoodigden: ‘De toekenning aan het personeel van een aandeel (10 percent) in de overwinst wenschen wij beschouwd te zien als een bewijs dat het ons ernstig streven zal zijn ook aan de billijke eischen van den arbeid recht te laten wedervaren, een juist verband te brengen tusschen de belangen van kapitaal en arbeid in de ontworpen vennootschap’. Wij [de Gistfabriek] begroeten dus in onze nieuwe buurvrouw eene zusteronderneming die in dezelfde richting als de onze zal werken.”

 

Vergunningen voor de Nederlandsche Oliefabriek en Calvé

In het archief van de gemeente Hof van Delft, die werd opgeheven in 1921, zijn aanvragen van hinderwetvergunningen bewaard gebleven. De verzoeken geven meer zicht op de ontwikkelingen die bedrijven doormaakten, met name wat betreft de mechanisering en uitbreiding, omdat er ook toelichtende informatie over de fabricage bij de aanvragen verstrekt werd. Hier volgt een overzicht van de aanvragen die door de directie van de Nederlandsche Oliefabriek, later Calvé, werden ingediend bij het gemeentebestuur van Hof van Delft.

  • Plaatsing van drie stoomketels (1883)
  • Een houten opslagloods en plaatsing van een stoommachine van 200 p.k. (1890)
  • Een ketelhuis, een "tubulaire stoomketel (vlampijpketel)" en een schoorsteen (1892)
  • Een fabrieksgebouw voor de zuivering van olie (1893)
  • Eenzelfde verzoek (1901)
  • Een nieuw ketelhuis (1903)
  • Uitbreiding van het bestaande fabrieks- en pompgebouw (1912)
  • Een inrichting voor het lossen, de opslag en het transport van grondnoten (1914)
  • Een inrichting voor het malen en persen van oliehoudende zaden, idem voor het koelen van vetten en een voor het transport van grondnoten en de berging van uitgezift notenzand (1915)
  • Een silo voor de opslag van grondnoten, uitbreiding van de electrische centrale, een overhittingsgebouw tot het verwarmen van stoom (1916)
  • Verhoging van een bestaand fabrieksgebouw, een ventilator met plaatijzeren schoorsteen (1917)
  • Vethardingsfabriek , twee gashouders van resp. 300 en 500 m3 (1919)
  • Uitbreiding van het fabrieksgebouw (magazijn) met goederenlift, plaatsen van een portaaldraaikraan en rails langs de haven en van een stookolietank op het fabrieksterrein, bouw van een filterdoek-wasinrichting en uitbreiding zeepkokerij, oprichten vetsmelterij, bouw van een transportbrug (1920)

 

De aandeelhouders van Calvé

Het half miljoen gulden startkapitaal van Calvé werd in 1883 bijeengebracht door 65 aandeelhouders. Al hun namen staan in een database. In de onderstaande tabel is te zien waar ze vandaan kwamen. Het eerste getal betreft het aantal aandeelhouders, het tweede het aantal aandelen; bij ‘overig Nederland’ is één Nederlandse aandeelhouder uit Brussel opgeteld.

  • Amsterdam 18/40
  • Rotterdam 3/12
  • Den Haag 4/13
  • Delft 5/15
  • Haarlem 5/13
  • Overig Ned. 18/32
  • Nantes (Fr.) 12/74
  • Totaal 65/200

Bron: Gemeentearchief Delft, Archief Calvé Nieuw boek over de geschiedenis van Calvé

Calveboek

Calvé: Met Elkaar - Voor Elkaar - Uit Elkaar

2 februari 2011 verscheen het boek 'Calvé: Met Elkaar - Voor Elkaar - Uit Elkaar'.

Aad Verhoeff schreef met dit boek de geschiedenis van een uniek bedrijf. Het boek is geschreven als ooggetuigenverslag van oud-collega's, waarvan sommigen nog voor 1895 zijn geboren. Bij de indiensttreding van Verhoeff bij Calvé in 1952 vertelden deze medewerkers hem hun ervaringen, waaronder de overname van Calvé door Unilever in 1928, de daarop volgende crisis, de oorlog en het begin van de wederopbouw. Het vervolg van de veranderingen gedurende de tweede helft van de vorige eeuw heeft Verhoeff, als maatschappijkritische medewerker, tot aan de sluiting in 2008 persoonlijk meegemaakt. Het boek is tot stand gekomen met medewerking van het Archief Delft (archief Calvé), DSM (archief Gist- en Spiritusfabriek), Van den Bergh & Jurgens en het hoofdkantoor Unilever-Nederland.

– – –

 

De Betuwe – Tiel

 

Flipje, het fruitbaasje van Tiel

flipje12/07 - Vele lezers van U-Vitalis zullen ‘de Betuwe’ wel kennen. De conservenfabriek uit Tiel. Maar dan toch zeker ‘Flipje, het fruitbaasje van Tiel’. Johan Romijn, oud-medewerker van de Betuwe en lid van de VUG, ervaart nog steeds wanneer hij ergens zegt dat hij uit Tiel komt, dat de reactie steevast is: ‘O Flipje’! Johan vertelt in twee verhalen over de geschiedenis van De Betuwe.

De Betuwe was een bijzonder bedrijf. Om een allesomvattend verhaal te maken zouden duizend pagina’s niet voldoende zijn. We beperken ons daarom tot hoofdlijnen. En ik kies voor twee perioden: het oude familiebedrijf tot eind 1960 en de moderne ontwikkelingen in de Unilever-periode tot 1987. Over beide perioden zijn positieve en negatieve dingen te vertellen, maar de eindconclusie is, dat het een geweldig bedrijf was waar ik bijna 35 jaar met veel plezier heb gewerkt.

 

Het familiebedrijf tot 1960

Toen ik in 1956 van de mulo kwam, was er in Nederland werk in overvloed. Iedereen die twee handen had, kon overal beginnen. Mijn start was die van jongste bediende op het laboratorium van ‘de Betuwe’.

De Betuwe was opgericht in 1885 en voortgekomen uit een klein azijnfabriekje waar waarschijnlijk hooguit tien mensen werkten. Dit fabriekje wordt al genoemd aan het begin van de negentiende eeuw. Later werd hier ook koffiestroop gemaakt. Het verhaal gaat dat de eigenaar ooit op bezoek was in Engeland en daar kennis gemaakt heeft met jam. Hij moet gedacht hebben dat kunnen we in Tiel ook.

Tiel was een geschikte vestigingsplaats voor een conservenfabriek. Het ligt midden in de Betuwe, een streek waar nog steeds veel fruit geteeld wordt. De jam werd aanvankelijk in grootverpakking verkocht aan de winkeliers, 10 of 15 kg in metalen emmers. In de winkel kon je dus een onsje jam kopen.

flipje2In 1910 komt de heer Gouverne aan de leiding in het bedrijf en is daar 50 jaar gebleven. Onder zijn leiding is het bedrijf alleen maar groter gegroeid.

Deze vooruitgang was voor een groot deel te danken aan de mentaliteit van de heer Gouverne. In de ogen van de moderne CEO zou hij waarschijnlijk een loser genoemd worden, maar hij nam genoegen met een (natuurlijk heel redelijk) salaris; het grootste deel van de winst werd direct in het bedrijf geïnvesteerd.

Tot aan het einde van zijn leven maakte hij dagelijks een gang door de fabriek: de producten van de vorige dag werden beoordeeld en menig afdelingschef had een moeilijke dag wanneer er onder zijn beheer iets fout was gegaan

Er was veel concurrentie in die tijd, conservenfabrieken schoten overal uit de grond, en omdat de consument ook toen al gefixeerd op prijs was waren er perioden dat de Betuwe het moeilijk had omdat ze persee de beste kwaliteit wilde leveren, er werd soms gezucht dat de jam van die of dat bedrijf alleen suikerwater met een kleurtje was. De directie had waarschijnlijk een vooruitziende blik en heeft nooit toe willen geven aan snel geld verdienen door rommel te verkopen.

De fabriek heeft perioden van grote vooruitgang geboekt, en de eerste van die perioden was de eerste wereldoorlog. Er was in het land gebrek aan van alles, maar appels en peren groeiden als vanouds en dus kon er vrijwel onbeperkt appelstroop gemaakt worden die gretig afzet vond.

Denken we even terug naar de periode rond 1900: Er bestond natuurlijk geen diepvriesfruit en omdat de periode dat er vers fruit beschikbaar was veel te kort was om de jam voor een heel jaar te produceren, moest fruit geconserveerd worden. Hiervoor waren twee methodes beschikbaar die echter geen van beiden ideaal waren:

  • conserveren met mierenzuur;
  • conserveren met zwaveldioxide (SO2) = sulfiet)

Mierenzuur viel al snel af omdat het door zijn sterke lucht ongeschikt was voor veel fruitproducten. Bleef over zwaveldioxide, maar om vruchten effectief te conserveren was een grote hoeveelheid nodig.

flipje3Het fruit werd bewaard in houten vaten van ongeveer 150 kg waaraan zwaveldioxide werd toegevoegd, wanneer hier later jam van gemaakt werd verdween het conserveermiddel tijdens het koken. Helaas verdwenen ook de vruchtenaroma’s grotendeels en van het conserveermiddel bleef een (klein) restant achter, maar bij gebrek aan beter, was dit de manier waarop tot ongeveer 1960 jam gemaakt werd.

De houten vaten waren natuurlijk aan slijtage onderhevig, voor het onderhoud was een kuiperij nodig waar in 1960 ongeveer 12 kuipers werkten. De gevulde vaten mochten niet in de zon bewaard blijven want dan zouden ze uitdrogen en gaan lekken, ze werden opgeslagen in de zogenoemde boomgaard, waar daadwerkelijk bomen stonden die voor schaduw zorgden, daarnaast werden de vaten afgedekt met rietmatten.

flipje4De Betuwe was van al die jamfabrieken wel veruit de grootste, de enige die enigszins in de buurt kwam was Hero.

De jamkeuken was het hart van het bedrijf, hier werd bijna het gehele jaar jam gemaakt in 18 open kookpannen (van koper), de pannen stonden op de bovenetage en de grondstoffen werden met een eindeloze transportband naar boven gebracht, voor iedere pan een kuip met suiker, een kuip met vruchten en een met pectine en restingrediënten als kleurstof en conserveermiddel voor 60 kg jam.

Was er een pan leeg dan ging er wat water in en werden de ingrediënten toegevoegd en doorgeroerd met een houten spaan. De pannen werden verhit met stoom van 6 bar en dit samen met de goede geleiding van het koper, lukte het op die manier om aanvankelijk 60 kg jam in twee minuten aan de kook te brengen, dan 10 minuten koken leegkiepen in de jamkoeler en de volgende pan was aan de beurt, omdat er steeds meer pannen tegelijk stonden te koken was er dus een voortdurende stroom jam beschikbaar.

In 1961 bleek de capaciteit te klein en werden de 60 kg ketels vervangen door 90 kg ketels. Bij de oplevering was een klein feestje omdat nu gemakkelijker aan de toegenomen vraag naar jam kon worden voldaan.

Veel mensen denken dat de Betuwe alleen een jamfabriek was, maar uit het bovenstaande blijkt al een beetje dat er veel meer te doen was. Al het fruit dat in de loop van het jaar nodig was moest in de paar maanden dat het beschikbaar was ingemaakt worden (het seizoen). In het seizoen verdubbelde het aantal personeelsleden doordat al het in te maken fruit, gewassen en gesorteerd moest worden, kersen moesten ontpit worden en van stelen ontdaan, bessen moesten ontsteeld worden en zo stelde iedere fruitsoort zijn eisen.

Natuurlijk ging dit voor een groot deel machinaal, maar het resultaat moest wel handmatig aangevuld worden. Dat extra personeel kwam uit een grote groep “Losse vrouwen” een naam die tegenwoordig niet meer zou kunnen maar destijds voor een groot deel bestond uit vrouwen of dochters van de mannelijke personeelsleden en die ‘oproepbaar’ waren.

Dat inmaken in vaten begon met het eerste fruit dat rijp was, vanaf einde mei begin juni, met Kruisbessen, dan Aardbeien, Frambozen, Kersen (rode en zwarte en ook nog Morellen) Rode bessen Zwarte bessen. Het ‘geschoonde’ fruit werd in houten vaten gevuld die daarna door een kuiper dichtgemaakt moesten worden, ook de kuipers draaiden overuren in het seizoen. Dan was er even rust tot de appels rijp waren.

De echte hectiek begon dan pas goed want er moesten appels in vaten gedaan worden als grondstof voor goedkope jam: Ringjam waarbij de helft van het fruit als appelpulp de andere helft als ‘Edelfruit’ (aardbeien, kersen enz.) Maar er moest ook appelmoes gemaakt worden, zowel in blik als in potten. Sommige mensen op belangrijke plaatsen werkten in het seizoen wel 80 uur per week.

Naast al deze producten werden appels ook geperst, voor appelsap, maar ook voor appelconcentraat dat samen met bietenstroop de grondstof voor de rinse appelstroop vormde.

Na de appelperiode kwamen de suikerbieten waar bietenstroop van gemaakt werd. Ook dit gebeurde in een apart ‘fabriekje’, de perserij. Hier werden bieten gewassen, gesnipperd en gebroeid (om de suiker uit de snippers te extraheren). Daarna werd de gebroeide massa geperst, waarbij het zogenoemde dunsap ontstond. Dit sap werd in een drietrapsverdamper ingedikt tot bietenstroop. Leuk detail: tijdens de bietencampagne werden we regelmatig gecontroleerd door een ambtenaar van de dienst accijnzen, die controleerde of we niet stiekem suiker maakten in plaats van stroop, want stroop was accijnsvrij. Er werd naar gestreefd om de suikerbieten voor het einde van het jaar tot stroop verwerkt te hebben.

Vanaf januari begon dan een rustige periode, dat wil zeggen er was nu tijd om even op adem te komen, maar nu begon ook de pectine-bereiding. Dat in weer zo’n extra fabriekje binnen een fabriek, waar de Betuwe erg goed in was. Natuurlijk kun je ook pectine kopen en waarschijnlijk veel goedkoper dan wanneer je het zelf maakt, maar dan zou een groot deel van het personeel ‘s winters op straat komen te staan.

Ik vind het wel knap dat een toch tamelijk ingewikkeld procedé wat pectine maken is, probleemloos als bijproduct gemaakt werd. De grondstof hiervoor waren de persresten die van bereiding van appelsap en appelconcentraat overgebleven waren. Die persresten werden dagelijks! afgevoerd naar de kruidendrogerij, waar ze in 24 uur werden gedroogd tot “Pomace” .

flipje5Ook appelconcentraat werd gemaakt in de perserij, de gevel van deze perserij is bewaard gebleven tijdens de sloop van de fabriek in 1995 en dient nu als gevel voor een blok appartementen. Hier staat nog de tekst op de gevel: “Mij de Betuwe fabriek van verduurzaamde vruchten”

Tot nu toe heb ik alleen over de jamfabriek ‘de Betuwe’ gesproken, maar er waren eigenlijk twee fabrieken. Naast de jamfabriek was er de sapfabriek, aparte gebouwen met eigen productielijnen en personeel, met zelfs een eigen werkplaats. Het enige wat beide fabrieken gemeenschappelijk hadden was de directie en de energievoorziening (stoom).

Aanvankelijk in de jaren 30 was er maar een kleine productie in flessen, tomatensap(Rijno), appelsap, en vruchtenwijn. Maar de productie werd steeds belangrijker (Rijno-vruchtensap kwam sterk op; er werd thuis veel puddingsaus gekookt).

Rijno-bosbessensap kreeg zelfs een ondertitel op het etiket ‘Medicinaal’. Rijno vruchtensap was zo’n sterk merk dat zelfs nu nog ‘De Betuwe Rijno’-bessensap en -bosbessensap te koop is, waarschijnlijk bij Hero gemaakt.

Kort daarna kwam limonadesiroop er bij (in drie kwaliteiten: Calova, Berona en Ring), een dikvloeibaar mengsel van suiker, aroma en vruchtensap dat in een verhouding van 1 + 4 delen water. Ook Tova-puddingsaus zal bij de meesten onder ons nog wel bekend zijn.

Er was ook nog een vruchtenkeuken, eigenlijk ook een aparte fabriek, maar deze was dan wel min of meer geïntegreerd in de jamfabriek: hier werden de vruchten op sap gemaakt: bijvoorbeeld aardbeien, kersen, pruimen op sap, zowel in blik als in grote potten, appelmoes in blikken en in potten. De topper was wel urntjes met vruchtenmelange, een luxe model potje waarin een mengsel van peren ananas, abrikozen een stukje perzik en een kers in het midden van de schijf ananas. Prachtig om te zien, maar er waren wel 50 dames nodig om de potjes te vullen, een paar duizend per dag.

flipje6Er waren ook nevenactiviteiten. Er gebeurde van alles in de fabriek wat niet direct met jamproductie te maken had. Als het verkocht kon worden zonder verlies en tegelijkertijd meehielp om mensen aan het werk te houden, dan gebeurde het ook. Ik noem wat activiteiten:

  • Zwaveloplossing werd niet alleen voor eigen gebruik gemaakt, maar collega-conservenfabrieken die zelf geen installatie hadden, konden sulfietoplossing van de Betuwe afnemen.
  • Door de Betuwe gemaakte pectineoplossing werd ook verkocht vanwege zijn speciale toepassingsmogelijkheden. Een paar Engelse fabrieken waren vaste klant.
  • Voor bakkerijen werd geinverteerde suikerstroop gemaakt, die na kleuring en flavouring als vulling voor bonbons gebruikt werd.
  • Vrijwel dezelfde stroop, maar nu ‘gedenatureerd’ werd verkocht aan tabaksfabrieken die het gebruikten om pruim- of pijptabak te ‘sauzen’. Denatureren was nodig om de suikeraccijns terug te kunnen vragen.
  • Vruchten als kruisbessen en pruimen in 5 liter-blikken werden geëxporteerd naar Engeland om als grondstof voor pie-filling te dienen.

Samenvattend: ‘De Betuwe’ was een sociaal bedrijf, waar goed voor het personeel gezorgd werd. Het was een soort familiebedrijf waar allerlei verenigingen ook zorgden voor contact buiten werktijd onder andere toneel, korfbal, wandelvereniging, biljartclub, reisvereniging.

Er was al heel vroeg een sociaal werkster, veel mensen met een handicap werden ook aangenomen en daar werd passend werk voor gezocht. Een heel mooie: door de fabriek liep een lange gang waardoor de hele dag transport plaats vond. In die gang was een grote deur, die in die tijd natuurlijk nog niet automatisch was. De oplossing: er stond iemand bij die deur wiens taak het was deze open en dicht te doen wanneer er een karretje of wagen aan kwam.

Een van de laatste grote gebeurtenissen in het oude familiebedrijf was een contract met Del monte, waarbij de Betuwe het alleenrecht voor de verkoop in de Benelux kreeg en tevens als distributiecentrum ging dienen. In 1960 is de heer Gouverne overleden, zoals het zo dikwijls gaat, wilden de erfgenamen geld zien en in 1961 werd de fabriek verkocht aan Unilever.

 

Deel 2

De Betuwe onder Unilevervleugels

Toen de fabriek in 1961 overgenomen werd door Unilever, was er aanvankelijk een bedrukte stemming onder het personeel; je weet immers maar nooit wat er gaat gebeuren, wanneer je een radertje wordt in zo’n groot bedrijf.

En inderdaad er is van alles gebeurd, positief en negatief, maar ik laat de tijd bepalen, in welke volgorde alles verloopt. Het eerst wat opviel was het salaris, of eigenlijk moet ik zeggen het loon, want onder de oude leiding had vrijwel iedereen een weekloon, dat vrijdags na werktijd uitgereikt werd.

De man van de salarisafdeling had een houten kistje waarin zo’n 500 loonzakjes pasten. In die zakjes zat naast het geld ook een verantwoording van de gewerkte uren van de week daarvoor (overgenomen van de stempelkaarten). Op de salarisafdeling werkten zo’n 5 a 6 mensen die de hele week met deze urenadministratie en het vullen van de loonzakjes bezig waren. Iedere donderdag ging een van deze mensen (op de fiets) naar de bank om een geweldige hoeveelheid geld op te halen. Dat ging dan gewoon in een aktetas achter op de fiets, kun je nu nauwelijks geloven.

Kort na de overname bleken de lonen plotseling met ongeveer 10 a 15 % gestegen, met uitzonderingen tot 25 % toe. Daarna wilde niemand meer een verkeerd woord van Unilever horen. Bij de oude Betuwe werden de lonen berekend volgens de normen in de groenten- en fruit-industrie. Unilever had daar geen boodschap aan en betaalde voor vergelijkbare functies een salaris zoals in de regio Rotterdam normaal was.

 

Een nieuwe start

flipje7Toen ik in februari 1962 mijn dienstplicht vervuld had, trof ik een heel ander bedrijf aan dan ik 20 maanden eerder had verlaten. De oude Betuwe was een echt familiebedrijf.

Wanneer er een uitbreiding nodig was, dan werd dat door meneer de directeur beslist. Er werd een stuk aangebouwd, zonder zich af te vragen of dit nu wel de optimale plaats was. Het gevolg was dat de fabriek een nogal hokkerig geheel was, waardoor er onnodig veel transport nodig was. Stroomlijning van de goederenstroom was een van de eerste doelstellingen van Unilever.

Er waren nogal wat nieuwe gezichten, regelmatig kwam je mensen tegen met een plankje, een blocnote en een stopwatch; de functies moesten opnieuw beoordeeld worden maar ook belangrijk: de efficiëntie van de productiemethode.

Er werd een ontwikkelingsafdeling opgericht die in samenwerking met Unilever Research uit Vlaardingen maar vooral ook Duiven, een aantal interessante producten bedachten.

 

Heel veel aanpassingen

Een van de eerste afdeling die zich moest aanpassen was de verkoopafdeling. Tot dan toe hadden deze mensen immers alleen Betuwe-producten te verkopen. Het was logisch dat de vertegenwoordigers zoals de verkopers heetten, ook de andere Unileverproducten in het assortiment kregen. Dit vroeg enorme aanpassingen. In die tijd was de verkoop totaal anders georganiseerd; er waren tienduizenden buurtwinkeltjes in Nederland, en een paar duizend ‘grossiers’. Vooral deze grossiers werden een aantal keren per jaar bezocht. Maar een grossier was niet te vergelijken met de huidige distributiecentra. Als voorbeeld: alleen in Tiel met destijds ongeveer 12.000 inwoners waren al drie grossierderijen.

Unilever bedacht dat de fabrieken van Calvé, Royco en de Betuwe min of meer in dezelfde markt opereerden en er werd besloten deze drie bedrijven onder een paraplu te brengen: Royco-Calvé-de Betuwe. Een volgende logische stap was dat de verkoopafdeling uit Tiel verdween en in Delft deel uit ging maken van de verkoopploeg.

flipje8

 

Uitbreiding van de mogelijkheden

Al heel snel bleek dat er dankzij Unilever ongekende omzetstijging mogelijk was: de marketingafdeling van Unilever had veel frisse ideeën en Unilever verkocht jam in vele landen. De strategie werd dat Tiel daarvoor het centrum van productie zou worden. Het begon met Hartog-jam in België, een omzet die bijna net zo groot was als de Nederlandse afzet.

Maar niet alleen in de jamfabriek, ook de sapfabriek stond voor enorme omzetstijgingen, één-en tweedrank werden in korte tijd enorm populair. In ieder ziekenhuis stond minstens een fles op het nachtkastje.

Doordat de afzet zo enorm steeg, dreigde er zelfs enige tijd leveringsproblemen.

Maar ook Tritop, een limonadestroop die 1 op 4 verdund moest worden en in eerste instantie voor de Duitse markt bestemd was, werd razend populair, en daardoor wilden ook andere landen in het succes delen. De sapfabriek draaide op volle toeren. Er werd besloten om een nieuwe sapfabriek te bouwen.

Aan de jamzijde was in die tijd Halviture, een jam met de helft van de normale hoeveelheid suiker, heel belangrijk, het product had het tij mee en werd een kaskraker.

 

Het stroomlijnen van de fabriek

In die tijd was statiegeld op potten en flessen de norm. Zeker kort na de oorlog was er gebrek aan alles,. Dus voorlopig zat er niets anders op dan op deze manier door te gaan. Maar het was zeker niet efficiënt. We kijken even hoe dat in zijn werk ging.

De gebruikte (meestal vuile) potten kwamen met een bodedienst van de grossier. Ze werden gelost in de uitpakkerij waar ze geteld en gecrediteerd werden. Daarna transport naar de glasopslag en hier bleven ze dagen tot weken staan, voordat ze naar de wasserij gingen. Na het wassen werden ze (met de hand) in stalen kratjes gezet. Deze kratjes werden met een speciaal karretje, dat de 200 meter tussen wasmachine en vulmachine overbrugde, naar de jamfabriek gebracht, waar ze (weer met de hand) uitgepakt en op de transportlijn naar de vulmachine werden gezet. Na de vulmachine werden de caps met de hand opgelegd, de potten werden na het sluiten weer met de hand op pallets gestapeld, gepasteuriseerd in een stoomoven en 24 uur in een luchtgekoelde ruimte gezet. Hierna konden ze de volgende dag geëtiketteerd worden(dus weer afstapelen).

Na het etiketteren werden ze (weer handmatig) in dozen verpakt, op pallets gestapeld en afgevoerd naar het magazijn, vanwaar ze later naar de expeditie gingen voor het klaarmaken van de bestellingen. Omdat de meeste winkels heel klein waren, ging het dikwijls maar om een of twee doosjes per winkel. Er werd zelden het gehele assortiment werd gevoerd, meestal alleen de drie hoofdsoorten: aardbeien, kersen en abrikozen, en natuurlijk ook appelstroop.

Wanneer de potten door de consument teruggebracht werden moest het dubbeltje statiegeld teruggeven worden aan de klant en de potten gingen de lange weg terug naar de fabriek.

Duidelijk was dat de bestaande manier van werken niet meer paste in een moderne fabriek. Om het vele handwerk te verminderen werd begonnen om het pasteurisatie en koelgedeelte te automatiseren. Het ‘Zwembad’ werd geïnstalleerd; dit was een pasteurisatie- en koelmachine. Voortaan liepen de gevulde potten direct van onder de sluitmachine in een bak gevuld met water, waarin het eerste gedeelte voor pasteurisatie diende en de rest koeling. Daarna liepen de potten naar de etiketteermachine, tegelijk werd de eerste inpakmachine geïnstalleerd, een enorme vooruitgang.

 

Capaciteitsverhoging

De toegenomen productie leidde al snel tot de noodzaak om prioriteiten te stellen; werkzaamheden die alleen uitgevoerd werden om personeel aan het werk te houden, werden in heroverweging genomen. Zelf pectine maken was een van de eerste dingen die afvielen.

Ook in deze tijd was er plotseling een opkomst van stevige plastic vaten die de houten vaten prima konden vervangen. Ze waren veel goedkoper en vroegen nauwelijks onderhoud. De kuiperij met zijn 12 mensen kon opgeheven worden. De kuipers kregen een herscholing en konden elders in het bedrijf aan de gang.

De appelmoesproductie was het volgend slachtoffer, omdat de marges op een pot appelmoes minimaal waren. In de sapfabriek verdween het zelf persen en ook het zelf concentreren van sap verdween. Voortaan werden sappen en concentraten per tankwagen gekocht.

Als laatste verdween het zelf maken van bietenstroop ten behoeve van de productie van rinse appelstroop. Het heeft lang geduurd voordat een product gevonden kon worden dat min of meer dezelfde smaak had als de stroop uit Tiel.

Er kwamen ook nieuwe producten: voor de zuivelindustrie werd fruitpreparaat gemaakt, in emmers van 12 kg maar ook in RvS-containers van 250 kg.

Door de geweldige omzetstijging aan alle kanten in de fabriek, was er onvoldoende magazijnruimte. Aanvankelijk werd ruimte ingehuurd bij derden, maar dat bleek geen goede keus. Er werd besloten tot de bouw van ‘draagluchthallen’, twee enorme tenten die permanent onder overdruk gehouden werden en toegankelijk waren via een sluizensysteem.

Deze tenten werden gegarandeerd tot een storm windkracht 11, toen deze storm in 1973 werkelijkheid werd, waaide een van de twee tenten stuk. Dat was pas echt paniek. Natuurlijk ontstond daarna de discussie of het nou windkracht 11 of misschien toch twaalf geweest was, want dan moest een andere verzekering betalen…..

De discussie was ongeveer in het eindstadium gekomen en er was een vergadering tussen de directie en de leverancier van de tenten: hoe het met de andere tent stond? Deze zou nog minstens 15 jaar meekunnen… het was ondertussen 1975 en het stormde…. nog tijdens deze vergadering kwam het bericht dat ook de tweede tent weggewaaid was. Einde draagluchthallenhoofdstuk.

 

Diepvriesfruit

flipje9Diepvriesfruit kwam beschikbaar. Eerst op bescheiden schaal. Er werd een nieuwe kwaliteit jam toegevoegd. We noemden het ‘Gold’-jam. Wettelijk was het gewoon een huishoudjam met 35 % fruit, maar omdat het geen met SO2 geconserveerd fruit bevatte, hoefde deze jam niet of nauwelijks gekookt te worden, waardoor dus ook de aroma’s beter behouden bleven. Snel bleek dat de consument dit zeer waardeerde.

Dit was aanleiding om het hele zwavelfruit-gebeuren onder de loep te nemen en al snel werd ook voor de overige soorten alleen nog vriesfruit gebruikt.

Ondertussen was er sprake van dat de gehele Duitse Solo-jamproductie vanuit Wunsdorf overgeplaatst zou worden naar Tiel. Technisch gezien was dit onmogelijk in de oude jamkookinstallatie omdat de jam in Duitsland in een vacuüminstallatie bereid werd en Tiel nog steeds atmosferisch kookte.

Er werd besloten de oude installatie stapsgewijze te vervangen door vacuümketels; ook nu weer onder begeleiding van Unilever-specialisten en Unilever-Researchafdeling.

De overgang had nogal wat voeten in aarde want sommige oude jamspecialisten gaven voorkeur aan de jam uit de oude installatie omdat ze niet gewend waren aan de frisse fruitige smaak van vrijwel ongekookte jam uit de nieuwe installatie, immers bij atmosferisch koken werd ingekookt tot ongeveer 105 °C. In de vacuümketels werd de temperatuur niet hoger dan 85°C.

Toen de vacuumketels geplaatst waren, was er weer ruimte voor verdere uitbreiding.

De exportmanager van Calvé kon in vooral de Arabische landen volop jam afzetten onder het merk Lipton. Probleem daarbij was de temperatuur in die exportlanden. Veel ging nog via locale winkeltjes of marktplaatsen waar geen airconditioning bestond, en jam laat zich nu eenmaal slecht bewaren bij temperaturen rond 40 °C. Gevolg: veel klachten over bruine jam en veel vochtafscheiding, waardoor de jam leek te drijven in de pot.

Wie nu in de Arabische wereld kijkt ziet dat dit probleem zichzelf grotendeels opgelost heeft, de bekende westerse supermarktbedrijven hebben ook daar de meeste miniwinkeltjes vervangen.

 

Problemen

In de jaren 80 ontstond er een afzetprobleem. De grote supermarktketens hadden zoveel macht gekregen door de verkoop van eigen merken, dat de prijzen sterk onder druk kwamen, waardoor de marges wel erg laag werden. De Tritop-productie liep terug doordat de consumenten liever sappen dronken die ze niet meer zelf hoefden verdunnen. De tweedrank-productie liep terug doordat de concurrentie sap in literpakken ging verkopen. Kortom een moderne fabriek die heel veel stil stond; voor het eerst in de Unilevertijd van de Betuwe was er geen plaats meer voor het overtollige personeel.

In de sapfabriek was de productie tot een minimum beperkt. Alleen seizoensappen en de bekende Tova-puddingsauzen draaiden nog naar wens. Maar voor die hoeveelheid kan een fabriek niet aan het werk gehouden worden.

 

Het einde

Reorganisatie volgde. Deze keer was er geen mogelijkheid meer om de mensen elders in de fabriek te plaatsen. Er zou een ontslagronde volgen die door ondernemingsraad en vakbond niet geaccepteerd kon worden. Een heuse staking volgde. Dit was nog niet vertoond in Tiel en had grote impact op de verhoudingen in het bedrijf.

Het personeel werd voorgespiegeld dat deze reorganisatie nodig was om de slag met de concurrentie te winnen; onofficieel ging zelfs rond dat Hero zou worden overgenomen.

De verslagenheid was dan ook niet te beschrijven toen in 1987 bekend werd gemaakt dat de Betuwe overgenomen zou worden door Hero. Wel het allerlaatste dat verwacht werd.

 

De productiekosten waren in die jaren wel enorm gedaald

Toen de fabriek in 1961 werd overgenomen door Unilever werkten er ongeveer 850 mensen, die per dag ongeveer 35.000 potten jam produceerden. Na alle wijzigingen in machinepark en lay-out was de capaciteit eind jaren 80 ongeveer 16.000 potten per uur. Rekening houdend met schoonmaakverliezen doordat zelden gedurende een gehele dag dezelfde soort jam gemaakt werd, kwam dat uit op ongeveer 200.000 potten per dag. Er werkten in die tijd ongeveer 150 mensen

Dus er was in 30 jaar tijd een enorme prestatie geleverd: een oude fabriek met heel hoge productiekosten was omgetoverd tot een modern bedrijf dat aan alle eisen van certificering voldeed. Maar het was toch niet voldoende rendabel omdat de marges op jam bijzonder laag waren.

flipje10

– – –

 

Iglo/Lucas Aardenburg

 

LucasA tnDe familie Aardenburg komt van oorsprong uit Beverwijk (Kennemerland). Eén van de familieleden t.w. Lucas Aardenburg begon in 1929 met het conserveren van groenten in blikken en hij koos als startplaats Hoogeveen (Drenthe).

Even buiten Hoogeveen werd na overleg met het gemeentebestuur een oude exportslachterij gehuurd. Met de nodige kennis van zaken werd de slachterij omgebouwd tot blikconservenfabriek 'de Kennemer'. De opening van dit bedrijf op 27 mei 1929 werd het startpunt van een successtory.

Van het gebied rond Hoogeveen was destijds reeds bekend dat er een goede kwaliteit groenten (veelal bonen en erwten) werd geteeld. Deze producten werden aangevoerd via de diverse tuinbouwverenigingen (veilingen) in Hoogeveen en omliggende dorpen. Goede arbeidskrachten waren ruim voorhanden.

LucasA2

 

De 'bonenfabriek' groeide als kool

Deze fabriek, door de bevolking de 'bonenfabriek' genoemd, groeide als kool. Het was een typisch seizoensbedrijf met 's zomers veel tijdelijk personeel. 's Winters werd er onderhoud gepleegd aan machines en gebouwen door een kleine groep vast personeel.

Het bedrijf werd al snel te klein: In 1934 werd op het Haagje in Hoogeveen de eerste steen gelegd voor de bouw van een compleet nieuwe conservenfabriek. Lucas Aardenburg’s oudste zoon Leonardus (Leo 12 jaar) was de eerste-steenlegger. Deze zoon werd de latere fabrieksdirecteur in Hoogeveen bekend als 'meneer Leo'.

In 1936 werd deze voor die tijd zeer moderne fabriek in gebruik genomen. De fabrieksnaam 'De Kennemer' maakte toen plaats voor de naam 'Lucas Aardenburg BV'. Dit bedrijf groeide uit tot één van de grootste blikconservenfabrieken van Nederland. In 1952 werd de eerder genoemde zoon Leo de fabrieksdirecteur. In de jaren '55-'65 werkten er 's zomers meer dan 1.000 personen.

LucasA3In 1954 begon men eveneens met de productie van diepgevroren groenten. Een vrieshuis en vriesboxen werden op het grote terrein bijgebouwd. Men was zich er van bewust dat verdere investeringen in diepvries-apparatuur en gebouwen vereist waren, gezien de groeiende belangstelling op de markt voor diepvries.

Bovengenoemde gegevens zijn opgetekend uit een boek uit 2006 met de titel: 'Een blik op Aardenburg', schrijfster mw. Marianne Aardenburg, dochter van meneer Leo.

(klik op de foto om meer te zien/lezen)

 

Hoe kwamen Unilever en Aardenburg bij elkaar?

In 1958 kocht Unilever het Utrechtse bedrijf Vita, dat in de jaren '30 begonnen was met de productie van diepvries. Dit bedrijf beschikte over een complete 'koude keten' (invriesruimtes , vriesopslagruimtes, vrieswagens voor transport en belangrijk: ca 8.500 vrieskasten verdeeld over heel Nederland in allerlei levensmiddelenbedrijven).

De vraag naar diepgevroren producten groeide in West-Europa zeer sterk. Bij Unilever België kende men reeds de merknaam voor diepvries t.w. IGLO. Unilever besloot destijds de naam Vita te wijzigen in de merknaam IGLO en dat werd ook de fabrieksnaam (1960).

Om aan de toenemende vraag naar diepgevroren producten te kunnen voldoen, moest IGLO-Utrecht uitbreiden. Daarvoor was echter geen ruimte beschikbaar. In 1959/1960 zocht Unilever contact met Lucas Aardenburg. De Hoogeveense firma had zelf reeds bepaald dat overgang van blikconserven naar diepvriesproducten vereist was om de continuïteit van het bedrijf te verzekeren. Grote investeringen voor nieuwe apparatuur en vriesruimtes waren hiervoor echter noodzakelijk.

Op 8 januari 1960 nam Unilever de firma Lucas Aardenburg over. De afspraak was dat het bedrijf in vier jaar tijd compleet omgebouwd zou worden van blikconservenproducent naar 100 procent diepvriesproducent.

 

De laatste conservenblikken

De periode 1960-1965 kenmerkte zich in Hoogeveen door ontzettend veel sloop-en bouwactiviteiten. Er werden grote investeringen gedaan. (nieuw vrieshuis / nieuwe productiehal voor de diepvriestak / nieuwe kantine / veel nieuwe vriezers etc.). Ondanks deze 'bouwsituatie' bleven beide productiesystemen naast elkaar functioneren. Maart 1966 liepen de laatste blikken met groenten van de band.

De verkoop van diepgevroren producten nam verder toe. Binnen Unilever zag men in Engeland, Duitsland, Franrijk en België de diepvries- en ijsverkoop sterk toenemen. Veel nieuwe producten werden daarom opgenomen in het productiepakket (soepen, maaltijden, aardappel-croquetten, loempia’s, toebereide groenten, vissticks etc.).

 

Sluiting en sloop Lucas Aardenburg

Unilever besloot in 1990/1991 om meerdere (kleine) productiebedrijven (waaronder Lucas Aardenburg) te gaan samenvoegen. Schaalvergroting moest de nodige verlaging van de af fabriekprijzen brengen.

De productievestigingen Lucas Aardenburg te Hoogeveen en twee vestigingen in Duitsland werden samengebracht tot één grote productie-unit in Wunstorf bij Hannover (Duitsland).

Op 1 maart 1992 sloot de fabriek in Hoogeveen haar poorten en werden de gebouwen gesloopt. Op deze plaats werden later fraaie koophuizen gebouwd. Deze nieuwe wijk kreeg heel toepasselijk als naam 'Park Aardenburg'.

Hans Temme/Wim Schuddebeurs

– – –

 

Lever Fabergé

 

Op 15 oktober 1901 is de fabriek "Lever’s Zeep Maatschappij Vlaardingen" opgericht. In het kort enkele kernpunten:

  • In maart 1917 werd het eerste ziedsel voor de Nederlandse Sunlight zeep gemaakt
  • In 1929 wordt Lever’s Zeep Maatschappij Vlaardingen één van de pijlers van het Unilever concern
  • Begin jaren 50 wordt het eerste synthetische wasmiddel OMO op de markt gebracht
  • In 1976 wijzigt de naam in Lever Sunlight BV
  • In 1986 wijzigt de naam in Lever BV
  • In 1998 wijzigt de naam in Lever Fabergé Europe S.U. Vlaardingen

Er zijn in de fabriek vele producten gemaakt zoals wasmiddelen, afwasmiddelen, reinigingsmiddelen, huishoud- en toiletzepen, tandpasta, shampoo en machine vaatwasmiddelen.

In 2008 is de fabriek Lever Fabergé Europe S.U. Vlaardingen gesloten.

 

Lees ook: Het bombardement op de Sunlight-fabriek (1945)

sunlight21Frank de Leeuw, voormalig medewerker van VIRULY (later Lever Industrial en DiverseyLever), schreef een boek, genaamd: “DAG en NACHT, Luchtoperaties 1940-1945, Spotten tijdens de Tweedewereldoorlog”. In dit boek beschrijft hij zijn passie voor de luchtvaart op jonge leeftijd en toen de Tweede wereldoorlog begon heeft hij heel veel kunnen noteren van wat er in de lucht gebeurde.sunlight21.jpg19/06 -

Het begon al meteen in Rotterdam waar hij het bombardement op 14 mei 1940 meemaakte. Later, in 1941, verhuisde zijn ouders naar Ginneken bij Breda en spotte en noteerde hij de enorme luchtoperaties van de geallieerden en ook de talloze bombardementen op het vliegveld Gilze-Rijen waar de Luftwaffe opereerde. Waarschijnlijk het eerste spottersboek uit de Tweede Wereldoorlog!

In dit boek komt ook voor het uitgebreide verslag van Hawker Typhoons, jachtbommenwerpers van de Royal Air Force, die op 23 maart 1945 de toenmalig genaamde ”Sunlightfabriek” in Vlaardingen bombardeerden met het doel om de op het fabrieksterrein aanwezige V-1- lanceerinstallaties te vernietigen. (Heel lang geleden is er ook eens een artikel opgenomen in “Eigen Terrein” met enkele foto’s).

In de bijlage het uitgebreide LZM-verslag uit zijn boek.

Van het bovengenoemde boek zijn nog enkele exemplaren beschikbaar. Na ontvangst van € 27.50 wordt het boek franco huis toegezonden.

Voor meer informatie, stuur een e-mail aan: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.      

– – –

 

Lever Industrial

 

De 'Grootste schoonmakers van Nederland'...

In 'Kijk op Maarssen', het door de gemeente uitgegeven contactblad tussen gemeentebestuur en inwoners [negende jaargang, 1980 - nr. 1], is ook onderstaande leuke bijdrage opgenomen over de Unilever-werkmaatschappij Lever Industrial in Maarssen.

De Grootste schoonmakers van Nederland (die ook nog wereldwijd smaakmaken)

LeverIndustrial suikerzakje2Of het voorjaar uw redactie nou door het hoofd speelde . . Wie zal het zeggen? Een feit is in ieder geval dat we voor deze lente-aflevering van 'Kijk op Maarssen' een bezoek hebben gebracht aan de 'Grootste schoonmakers van Nederland': Lever Industrial, Maarssen, dochter van Unilever, gevestigd aan de Maarssenbroeksedijk.

Als we zeggen dat Lever in feite een van de oudste bedrijven van Maarssen is, zullen een heleboel oudere Maarssenaren vreemd opkijken. Maar als we dan de naam 'Zachte Zeepfabriek Maarssen' of 'Viruly' laten vallen, zal er zeker iets beginnen te dagen. Zachte Zeepfabriek, Unilever, Viruly, Lever Industrial. Hoe zit dat dan? Daarvoor moeten we een stuk teruggaan in de geschiedenis en kijken hoe het allemaal begonnen is.

We gaan daarvoor enige honderden jaren terug naar de tijd van Karel V. In Gouda stond in die dagen een zeepziederij, die de naam 'De Hamer' droeg. Die zeepziederij deed het kennelijk prima, want zij overleefde met gemak de Tachtigjarige Oorlog en kwam ook in blakende welstand de volgende eeuwen door.

In 1841 koopt een zekere Michiel Viruly van Buuren van Dalen deze ziederij voor zijn zoon Theodorus Petrus. De naam T. P. Viruly & Co's Stoomzeepziederij 'De Hamer' gaat dan leven. Een jaar of zestig later kan het bedrijf het niet meer bolwerken en wordt het overgenomen door een kaarsenfabriek uit Gouda. Daarna, in 1918, wordt Viruly - zonder overigens de kaarsenfabriek - opgenomen in de N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Zeepfabrieken 'Zefa'. Die Zefa was voor een zeer groot deel in handen van ene Jurgens.

Het begint nu misschien duidelijk te worden. 'Zefa' wordt in 1929, samen met andere bedrijven van de heren Van den Bergh en Jurgens, ingebracht in de dan net tot stand gekomen nieuwe onderneming Unilever (zie kader onderin).

Viruly knoopt in de vijftiger jaren nauwe banden aan met een ander Unilever-bedrijf, de Wascholinefabriek te Amersfoort. Beide bedrijven kregen in de zestiger jaren met ruimteproblemen te kampen. De Zachte Zeepfabrieken te Maarssen ging het toen niet al te best meer. In Maarssen was (indertijd) nog ruimte genoeg, dus, wat lag voor de hand? Precies. De drie bedrijven gingen in 1967 een verbintenis aan en vestigden zich te Maarssen onder de naam Viruly B.V.

In 1972 komt er nog een bedrijf, gespecialiseerd in de verkoop van vloerreinigingsapparatuur, bij en dan zien we dat in 1976 moeder Unilever haar kinderen omdoopt en ze tezamen voortaan 'Lever Industrial' noemt. Een naam overigens, die alle soortgelijke bedrijven van Unilever over de hele wereld voeren, zij het dat de naam hier en daar is aangepast aan de landstaal. Wel voeren ze allemaal het groengele Lever-embleem.

 

Lever Industrial Maarssen

Lever Industrial anno 1980 bestaat eigenlijk uit twee fabrieken: een fabriek voor reinigingssystemen (van de zeem van een paar kwartjes en het machinale vaatwasmiddel, de wasmiddelen voor vuile overalls, de zeep en de 'dispensers' voor handreiniging, tot een vloerreinigingsmachine van tienduizenden guldens, compleet met de boenwas) en een fabriek waar smaakstoffen worden gemaakt. De beide fabrieken liggen ingeklemd tussen de Maarssenbroeksedijk aan de ene kant en de Westkanaaldijk aan de andere kant. Onderling zijn ze gescheiden door de spoorlijn, die dwars over het fabrieksterrein loopt.

maarssen1

Naast de beide fabrieken is in Maarssen het Technisch Centrum gevestigd, een ontwikkelingslaboratorium, dat niet alleen voor de Maarssense vestiging onderzoek doet, maar dat daarnaast het overgrote deel van de ontwikkelingsresearch doet voor alle andere Lever Industrial-bedrijven in de hele wereld. Er zijn dan ook heel wat (verre) buitenlanders, die de Maarssenbroeksedijk beter zullen kennen dan de Maarssenaren zelf . . . .

 

Wereldwijde smaakmakers

De kleinste fabriek (er werken 85 van de 340 personeelsleden) is die van 'food additives', de smaakstoffen. De belangrijkste smaakstoffen, die in het Maarssense bedrijf worden gemaakt, zijn wel de margarine-aroma's. Geen wonder als we bedenken, dat in het Unilever-concern de margarineproductie één van de belangrijkste 'poten' is. We hebben verwonderd gestaan te horen hoe groot het assortiment aan margarinearoma's is: het zijn er honderden. leder merk heeft zijn eigen aroma. En er zijn er nog al wat in de wereld.

Margarine zonder aroma zou overigens niet lekker zijn. Tot in de kleinste details worden deze aroma's uitgetest en gecontroleerd, voordat ze de fabriek uitgaan. Smaakafwijkingen komen dan ook menselijkerwijs gesproken niet voor. Natuurlijk is dat in het belang van Lever zelf, want het is een bekend gegeven, dat mensen gauw aan een smaak wennen en dan ook niet anders meer willen. Maar ook een bibliotheek vol aan wettelijke voorschriften legt precies vast wat wel en wat niet in de verschillende landen toegestaan is. Zelfs wat kleur betreft. Zo moet in Canada bijvoorbeeld de margarine volgens wettelijke voorschriften rose zijn. 'Als je naar onze kwaliteitscontrole kijkt', zeggen ze bij Lever dan ook, 'dan zou je denken, dat je in een farmaceutische fabriek rondloopt in plaats van in een smaakstoffenfabriek.'

Naast margarine-aroma's worden smaakstoffen gemaakt voor een reeks van andere voedingsmiddelen, zoals bijvoorbeeld soepen, vleesconserven en kant-en-klaar-maaltijden. Zo is onder andere Iglo een grote afnemer van Lever.

 

De grootste schoonmakers van Nederland

Maar verreweg de grootste fabriek is toch de detergentenfabriek. Detergenten is het vernederlandste woord voor reinigingsmiddelen. Hier werken zo'n 260 mensen, waarvan het overgrote deel Maarssenaren, zowel in de fabriek, als in de verkoopdienst buiten.

Zoals u al in het schema hebt kunnen zien richt de Maarssense Lever Industrial zich niet op het sopje of de vaatwasmachine van de huisvrouw, want dat doet de fabriek van Unilever in Vlaardingen. Lever Industrial Maarssen houdt zich bezig met de grootverbruikers. Die grootverbruikers, dat zijn er nogal wat. Want leest u maar mee wie zoal in de kaartenbak van Lever zitten. We doen een greep: ziekenhuizen, bejaardeninstellingen, kinderdagverblijven, gemeentehuizen, verzorgingstehuizen, schoonmaakbedrijven, wasserijen, onderwijsinstellingen van lagere en kleuterscholen tot universiteiten, kantoren van banken, verzekerings- en luchtvaartmaatschappijen en tal van industrieën, zoals bijvoorbeeld: voedingsmiddelenindustrieën, de metaalindustrie, agrarische industrieën enz. enz. Eigenlijk kun je zeggen: waar maar een graad van hygiëne aanwezig moet zijn (en waar is dat niet) daar zit Lever Industrial Maarssen.

Want wat hebben al die groepen in reiniging gemeen? Ze moeten natuurlijk allereerst allemaal hun gebouwen schoonhouden (vloeren, wanden, plafonds), maar ze hebben vrijwel altijd ook één of meer kantines waar koffie wordt gezet en waar maaltijden worden verstrekt (die machines moeten schoon gehouden en afgewassen worden). Ze hebben in die keukens nog tal van andere machines staan, die ook onderhouden moeten worden (denk bijvoorbeeld maar eens aan koelkasten in ziekenhuizen). Ze hebben soms wasserijen en last but not least: ze hebben altijd toiletten.

We zullen niemand duidelijk hoeven maken hoe belangrijk een hygiënisch toilet bijvoorbeeld in een ziekenhuis is. Het ontlokt onze gesprekspartner de uitroep: 'Deurknoppen! Levensgevaarlijk zijn ze. Als alle Nederlanders ter plekke dood zouden vallen, die geïnfecteerd worden door besmette deurknoppen, dan liepen er binnen de kortste keren nog maar een handjevol mensen rond. Niets is belangrijker dan goed handen wassen. Het zou 90% van alle infecties kunnen voorkomen.' Ook in de voedingsmiddelenindustrie is het uitermate duidelijk, dat een hoge graad van hygiëne van levensbelang is. Denkt u bijvoorbeeld maar eens aan de pijpleidingen, waar ons glaasje fris doorheen wordt gepompt, aan melktanks of aan koelwagens van vleesfabrieken. Lever Industrial maakt er de schoonmaakproducten en de reinigingsmachines voor.

 

'Grijze markt'

Een kleiner, maar niet onbelangrijk, afzetgebied voor producten is voorts wat wordt genoemd de 'grijze markt': verbruikers die meer reinigingsmiddelen nodig hebben dan de gemiddelde huisvrouw, maar ook niet echt grootverbruikers zijn, zoals slagers, pensionhouders, fritesbazen, kantines. Zij treffen de voor hen belangrijkste producten aan in de zelfbedieningsgroothandel.

maarssen2

In de hygiëne spelen desinfecterende middelen een belangrijke rol. Ook die worden door Lever Industrial geleverd. De controle hierop is zo mogelijk nog strenger dan op andere producten. Zo moet ieder desinfecterend middel officieel worden geregistreerd door de overheid en door hen worden voorzien van een toelatingsnummer voor het in de handel mag. Voor ons consumenten uiteraard wel een veilige gedachte.

Al deze producten worden in Maarssen, op basis van onderzoekgegevens, die door researchlaboratoria in Duiven, Vlaardingen en Colworth House in Engeland worden aangeleverd, verder uitgetest en voor praktische toepassingen gereed gemaakt. Ze mogen overigens pas in de handel worden gebracht wanneer één van de researchlaboratoria het sein op groen heeft gezet: de laatste fase in een soms langdurige 'clearance procedure'.

Maar Lever laat het, zoals al even aangeduid, niet bij het maken van het product alleen. Zij zorgt ook voor de technische apparatuur, die voor een groot gedeelte in Maarssen wordt ontwikkeld. De filosofie van het bedrijf is even simpel als praktisch: 'Wij verkopen niet op de eerste plaats producten, wij lossen - bijvoorbeeld - vaatwasproblemen op'. En daarbij gaat men te werk volgens het systeem: bepaal het probleem, los het op en zorg, dat het werkt.

Om een voorbeeld te noemen. Een instelling heeft een probleem met vloerreiniging. Lever stuurt één van haar mensen. Die bepaalt het probleem (hoe komt het dat de vloer niet goed schoon is), lost het op (dan moet u dat en dat gebruiken, op die wijze en zo lang, met die en die machine) en zorgt, dat het werkt (levert de middelen en de machines, geeft instructie aan de gebruikers en repareert als dat nodig mocht zijn).

Gezien de samenstelling van een heleboel producten, de vele toepassingsmogelijkheden en de graad van technische ingewikkeldheid van de apparatuur (het gaat nogal eens om elektronische apparatuur), vragen wij ons af of de verkopers niet bijna chemici of technisch ingenieurs moeten zijn. Niet zonder trots wordt ons verteld, dat men denkt een voortreffelijk getraind corps vertegenwoordigers in huis te hebben: 'Ons kapitaal zit langs de weg'. Als we horen, dat het bedrijf nog steeds met winst draait (en waar hoor je dat tegenwoordig nog?) dan geloven we graag dat het waar is.

 

Toekomst

We vragen wat Lever Industrial voor de toekomst verwacht. Geen technische doorbraak, zegt men ons, wel schaalvergroting. Die tendens is er in het hele veld: groter, maar minder. Grotere ziekenhuizen, maar minder in aantal. Grotere fabrieken, maar minder in aantal. 'Daar zullen we op moeten inspelen: we zullen nog meer naar op maat gesneden hygiëneprogramma's toewerken, met professionelere methodieken en met gespecialiseerdere producten'.

Verder verwacht men een stijgen van het hygiënebewustzijn, ook onder invloed van wettelijke regels. Bij Lever wordt in ieder geval in het Technisch Centrum al druk gewerkt aan het ontwikkelen van reinigingsmiddelen, die pas over 5 à 8 jaar rijp zullen zijn voor de markt. Ook de technische apparatuur zal geavanceerder worden onder invloed van chips. Nu zet je een vaatwasmachine nog gewoon aan. Dan zal je hem kunnen aanzetten en zal hij uit zichzelf 'aanvoelen' hoe hard het water moet doorspoelen en hoeveel reinigingsmiddelen er nodig zijn als er meer vuil (meer weerstand) is enz. 'Laten we het zo formuleren: snel, degelijk en probleemloos zal de slogan voor de toekomst zijn', zegt men ons.

Een boeiend bedrijf, dat Lever. Na een hele middag professionele hygiëne-economie hebben we 's avonds wel even moeten wennen aan het gewone afwasje met de kwast in de hand.

maarssen3 

– – –

 

Unilever R&D Vlaardingen

 

In Vlaardingen bevindt zich een van Unilevers grootste internationale R&D-centra met ongeveer 800 medewerkers die werken in multidisciplinaire teams. De medewerkers bij Unilever Research & Development Vlaardingen zetten zich in voor het realiseren van baanbrekende innovaties en voor de verdere ontwikkeling en implementatie ervan in producten. Innovatie is de belangrijkste motor voor groei: baanbrekende wetenschap op gebieden waar de echte consumentenbehoeften liggen en met een langetermijnvisie.

 

urdv

 

Al meer dan vijftig jaar levert Unilever R&D Vlaardingen een bijdrage aan Unilevers productenportefeuille door bestaande producten continu te verbeteren en nieuwe te lanceren. Aan al deze successen is bijgedragen door wetenschappers en technologen in Vlaardingen, hetzij via onderzoek hetzij door gezamenlijke ontwikkeling.

De bijdrage van Unilever R&D Vlaardingen aan Unilevers innovatiecapaciteit strekt zich uit over drie pijlers:

Research: Op het gebied van Research concentreert het werk in Vlaardingen zich op de missie ‘De concurrentiepositie van Unilever versterken door te zorgen voor grotere, betere en snellere innovaties op het gebied van voedingsmiddelen en duurzame natuurlijke producten.’ De focus ligt op baanbrekende innovaties rond kerncapaciteiten: nieuwe aanknopingspunten en wetenschappelijk bewijs voor functionele voordelen, superieure zintuiglijke kwaliteit, processen en structuren voor natuurlijke, duurzame producten, milde conservering /’in silico’-ontwerpen en consumentenbeleving om de ontwikkeling van onze producten te versnellen.

Global Product Development: In het Global Development Centre voor Spreads en Dressings worden technologieën ontwikkeld voor nieuwe producten met als doel deze wereldwijd in de markt te zetten, zodat consumenten over de gehele wereld ervan kunnen profiteren.

Regional Product Development and Implementation: In de Regional Development Centres voor Spreads & Dressings, Wasmiddelen, Huid, Haar en Machinevaatwasmiddelen brengen we innovaties naar de regio’s door mondiale mixen te implementeren voor lokale markten en deze indien nodig aan te passen aan lokale behoeften. Duurzaamheid en kwaliteit zijn onze voornaamste uitdagingen.

 

Open Innovatie

Externe partners zijn belangrijk voor Unilever omdat zij externe expertise, ervaring en nieuwe manieren van werken in de organisatie brengen. We werken samen met universiteiten en andere kennisinstituten, met starters en ondernemers en met belangrijke leveranciers in zogenaamde ‘Supplier partnerships’. Momenteel draagt 60% van de Unilever innovatie-pijplijn op de een of andere manier bij aan Open Innovatie.

 

- - -